VLAAMSE POLYFONIE: GUILLAUME DUFAY ( 1397- 1474)

 

Het renaissance- humanisme (1400- 1600) vond dat de mens zijn eigen verstand kon gebruiken om te helpen zijn levensbestemming te bepalen. Men had een voorkeur voor ‘stoffelijke’ schoonheid, eenvoud en planmatigheid. Men mocht nu van muziek genieten vanwege haar esthetische kwaliteiten en de stijl van een compositie werd belangrijker dan de oorspronkelijke functie. In de wereldlijke muziek ontstonden veel genres en vormen en de instrumentele muziek kreeg een zelfstandige functie. Door de uitvinding van de boekdrukkunst werden begin 16de eeuw veel composities gedrukt en deze zijn vaak goed bewaard gebleven.

De overgang van de Middeleeuwse muziek naar de Renaissance muziek vond heel geleidelijk plaats, het eerst in Engeland -waar de muziek minder modaal was en veelal een majeurkarakter had met vrij gebruik van tertsen en sexten (contenance angloise)- en aan het Bourgondische hof van Philips de Goede van Bourgondië (1396- 1467), waar het gebruik ervan ook in zwang kwam en dus op drieklanken kwam te berusten. Men gebruikte drieklanken in de grondligging als bouwstenen van de muziek. De bovenstem kreeg de belangrijkste partij en vocale composities waren niet langer polytekstueel, maar hadden één tekst in één taal. Het belangrijkste genre was het chanson. Dissonanten werden weinig gebruikt. Men dacht niet meer alleen in ‘horizontale’ melodische lijnen, maar besteedde veel aandacht aan de ‘verticale’ samenklanken. Men wisselde imitatieve gedeelten af met homofone en vierstemmige passages met duetten en trio`s. Er werd vooral ‘a cappella’ koorzang geschreven en eerdere werken werden hergebruikt om iets ‘nieuws’ mee te maken (parodie mis).

De muzikale stroming in die tijd heet de Franco-Vlaamse School, Vlaamse Polyfonie of Nederlandse School.

Het einde ervan kwam door het concilie van Trente (1545- 1563), dat de goede verstaanbaarheid van kerkmuziek  eiste.

In de Vlaamse polyfonie worden vaak vijf generaties onderscheiden:

en ter verduidelijking van de Engelse invloed in Frankrijk ten tijde van 0 en 1ste generatie: de drie fases in de Honderdjarige Oorlog:

1. de ‘Oorlog van Eduard’ (1337-1360). 

2. de ‘Oorlog van Karel’ (1369-1389) 

3. de ‘Oorlog van de Lancasters’ (1415-1453).

0.De Nulgeneratie (circa 1380-1420): de Nederlandse polyfonisten die omstreeks 1400 actief waren, vaak al buiten de Nederlanden en vaak afkomstig uit de Romaans- en Nederlandstalige gebieden van het Prinsbisdom Luik, rekent men tot de voorlopers en derhalve tot een 0-generatie, zoals Johannes Ciconia en Martinus Fabri

1.Eerste Generatie of Eerste Vlaamse School (circa 1420-1460): Deze periode wordt ook de Bourgondische School genoemd, want  het huidige Noord-Frankrijk, België en Nederland waren toen onder de Bourgondische hertogen (1363- 1506) verenigd. De muziek kende isoritmiek, vierstemmigheid en de mis werd een autonome muzikale vorm. Belangrijke componisten waren o.a.: Gilles Binchois, Antoine Busnois,

Guillaume Dufay en Thomas Fabri

 

door de Engelsen bezet

 

Franse gebieden onder Karel VII

 

Vorstendommen in bezit van de belangrijkste Engelse bond-genoot: Huis van Bourgondië

 

 

De bezittingen van het Huis van

Bourgondië in de loop van de tijd

2.Tweede Generatie of Tweede Vlaamse School (circa 1460-1490) met o.a. Loyset Compère, Johannes Martini, Johannes Ghiselin alias Verbonnet en Johannes Ockeghem

3.Derde Generatie of Derde Vlaamse School (circa 1490-1520): Veel componisten trokken nu naar Italië. De gelijkwaardigheid van alle stemmen werd nagestreefd. De vroegste Italiaanse drukken bevatten werk van componisten uit de Nederlanden, waardoor de verspreiding van hun stijl werd bevorderd. Ook de prachtige handschriften uit het atelier van Petrus Alamire zorgden hiervoor. Deze werden door het Bourgondisch- Habsburgse hof als relatiegeschenken over alle vooraanstaande vorstenhuizen verspreid. Belangrijke componisten waren o.a.: Petrus Alamire, Antoine Brumel, Josquin Des Prez, Heinrich Isaac, Jacob Obrecht, Matthaeus Pipelare, Pierre de la Rue

4.Vierde Generatie of Vierde Vlaamse School (circa 1520-1560): De vijf- en zesstemmigheid verdrong de vierstemmigheid. De majeur- en mineurtoonsoorten kwamen op. In Antwerpen (Susato) en Leuven (Phalesius) ontstonden de eerste op polyfone muziek gerichte muziekuitgeverijen van enige omvang. Belangrijke componisten waren: Jakob Arcadelt, Cornelis Boscoop, Jacobus Clemens non Papa, Thomas Crecquillon, Nicolas Gombert, Tielman Susato, Adriaan Willaert

5.Vijfde Generatie of Vijfde Vlaamse (circa 1560-1600): In de tweede helft van de 16de eeuw was de Franco/Vlaamse/Nederlandse stijl over geheel Europa verbreid en niet meer aan de Nederlanden gebonden, met namen als Noé Faignient, Orlando di Lasso, Claude Le Jeune, Philippus De Monte, Andreas Pevernage, Philippe Rogier, Cypriano de Rore, Gerardus van Turnhout, Jacobus Vaet, Hubert Waelrant, Giaches de Wert

Nabloei (circa 1600-1630): De vocale muziek van Jan Pieterszoon Sweelinck, Cornelis Schuyt, Cornelis en Jan Verdonck behoort tot de nabloei van de Nederlandse School.

 

GUILLAUME DUFAY (1397 – 1474)

 

Guillaume Dufay werd vermoedelijk op 5 augustus 1397, waarschijnlijk in de buurt van Beersel (bij Brussel) geboren. Zijn vader was een onbekende priester. Met zijn moeder, Marie d(o)u Fayt, verhuisde hij op jonge leeftijd naar Kamerijk (Cambrai) in Frans-Henegouwen, waar hij ging wonen bij familie van zijn moeder, een kanunnik van het domkapittel van de kathedraal van Kamerijk. Van 1409 tot 1412 was hij daar koorknaap. Guillaume maakte al jong reizen. Tijdens het Concilie van Konstanz (1414- 1418) of via de Engelse regent van Frankrijk kwam hij waarschijnlijk in contact met de contenance angloise, de Engelse stijl van John Dunstable en Leonel Power.

Van 1418 tot 1420 was Guillaume subdiaken van de kathedraal van Kamerijk. In 1420 vertrok hij naar Italië. Uit zijn werken blijkt bekendheid met componisten aan het hof van de Malatesta's; wellicht was hij in dienst van dit hof te Pesaro. Na enige tijd keerde hij terug naar Vlaanderen, maar in 1424 vertrok hij opnieuw, nu naar Bologna. In 1428 werd hij tot priester gewijd. In dat jaar ook trad hij toe tot de pauselijke cappella. Hij zong daarin tot 1434, toen hij kapelmeester werd voor de hertogen Amadeus VIII en Lodewijk van Savoye. Paus Eugenius IV (1431- 1447) sterk leunend op de steun van deze hertog, verliet in 1435 het Concilie van Basel (1431- ) en nam zijn gevolg mee naar Florence. Van 1435 tot 1437 zong Guillaume weer in de pauselijke cappella in Florence en Bologna).

Tussen 1440 en 1450 werkte hij weer in Kamerijk. Van 1450-1458 was hij opnieuw in Italië, waar hij onder andere in Turijn en Chambéry werkte. Bij zijn definitieve terugkeer naar Kamerijk was hij inmiddels uitgegroeid tot de beroemdste componist van zijn tijd en componisten als Johannes Ockeghem (in 1462), Antoine Busnois en Loyset Compère bezochten hem aldaar. Op 27 november 1474 overleed hij te Kamerijk na weken ziek geweest te zijn. Guillaume werd er begraven in de kapel van St. Etienne.

Guillaume Du Fay en Gilles Binchois (miniatuur uit ‘Le champion des dames’ -1451)

De kathedraal van Kamerijk (Cambrai)

‘Chansons’ van

Guillaume

Missa Sancti Jacobi

Johannes Ockeghem

Antoine Busnois

 

 

Zeker 70 manuscripten in landen als Italië, Frankrijk, Duitsland, Spanje en Tsjechië getuigen van Guillaume`s composities, maar veel anoniem werk werd ook -misschien onterecht ?- aan hem toegeschreven, zoals de ‘Engelse stijl’ Missa Caput (1).

Hij schreef zowel geestelijke als wereldlijke werken. Die laatste schreef hij toen hij in dienst was van de Malatesta`s en hij bleef ze componeren tot zijn dood (2). Hierbij gebruikte hij vormen als de rondeau, de virelai en de ballade. Op het gebied van de kerkmuziek schreef hij missen, motetten, magnificats en antifonen.

Guillaume gebruikte als eerste de term fauxbourdon: de cantus firmus ligt in de bovenstem, twee andere partijen liggen een sext en een volle kwart lager; een reeks parallelle sextakkoorden dus. De middelste stem noteerde hij vaak niet, want die kon men gewoon een kwart lager zingen (zie voorbeeld van de Missa Sancti Jacobi).

In verschillende van zijn missen gebruikte hij (als eerste) de melodie van een wereldlijk lied als cantus firmus. De missen heten dan ook naar dit lied. Voorbeelden hiervan zijn onder andere de missen Se la face ay pale en L'homme armé. In andere missen gebruikte hij gregoriaanse gezangen als uitgangspunt, zoals in de missen Ave regina caelorum en Ecce ancilla domini.

Guillaume`s Missa Sancti Jacobi is vaak vierstemmig : cantus 1, cantus 2, contratenor en tenor, of driestemmig: cantus, contratenor en tenor. Er staan echter ook veel duetten in,  tussen de drie of vierstemmige stukken, voor cantus 1 en 2: bij het Kyrie, Gloria, Cum sancto spiritu, Credo, Domine Deus, Sanctus en Agnus Dei.

Alejandro Enrique Planchart heeft in 2011 een moderne uitgave van de Missa Sancti Jacobi gemaakt, in de serie Opera Omnia: van Guillaume Du Fay 03/ 02. Deze uitgave staat geheel op internet (www.diamm.ac.uk).

Een aantal duetten zijn ook opgenomen in 111 Bicinia from the 15th century, Editio Musica Budapest, Z. 14 478

 

Aan deze pagina is het laatst gewerkt op 11 juli 2021

(1.) zie The New Grove p. 680: ‘alignment for or against the authenticity of the mass can radically alter one`s attitude not only towards Dufay`s own work but towards the whole question of English on the Continent in the middle of the 15th century’; zie verder ook p. 684 – 686 ‘doubtful works’

(2.) Zie bijv. (uitgewerkte) partituren op: https://ks4.imslp.net/files/imglnks/usimg/c/c8/IMSLP47976-PMLP101640-Das_Chorwerk_019_-_Dufay,_Guillaume_-12_sacred_and_secular_songs.pdf 

Bronnen:

Geschreven:

Artikel van Charles Hamm over Guillaume Dufay in The New Grove Dictionary of Music & Musicians, London, 1980

Websites:

Wikipedia; IMSLP

 

Terug naar de pagina Muziek