|
MAURICE
RAVEL (1875- 1937)
Over Maurice Ravel zijn al zo veel studies verschenen dat iets
nieuws ontdekken of zeggen voor mij niet mogelijk is. Men kon (en kan) zich
voor allerlei gegevens baseren op de vele brieven die Ravel
schreef. Ik kan dus niet veel meer doen dan de bestaande gegevens
- misschien-
op een beetje andere manier ordenen:
1875- 1905:
(Joseph)
Maurice Ravel werd in 1875 geboren te Ciboure aan de kust in Frans- Baskenland bij
de Spaanse grens. Zijn moeder, Marie Delouart,
was van Baskische afkomst. Zijn vader, Pierre Joseph Ravel, was een ingenieur uit
Franstalig Zwitserland. Vlak na zijn geboorte verhuisde het gezin naar
Parijs, waar in 1878 zijn broer Édouard werd
geboren.
Ravel kreeg -
ondanks de financiële problemen van zijn familie- op zevenjarige leeftijd
zijn eerste pianolessen van Henri Ghys en in 1887
harmonie- les van Charles- René, een leerling van Delibes.
In 1889 werd hij pianoleerling van Emile De(s)combes en vervolgens eerst toegelaten tot de
voorbereidende pianoklas van Eugène Anthiôme aan
het Parijse conservatorium en later tot de klas van Charles de Bériot.
Op de
Wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs, maakte Ravel
(net als Debussy) kennis met o.a. Javaanse gamelanmuziek en zigeuner-
orkestjes en bezocht hij concerten van Russische muziek gegeven door Rimsky- Korsakov.
Hij raakte
bevriend met de Spaanse pianist Ricardo Viñes die
ook bij Bériot studeerde. Hij liet zich
inspireren door de werken van Mozart (vooral!) , Chopin, Carl Maria von Weber, Schumann, Liszt, het Machtige Hoopje (de
Russische Vijf), Chabrier en Satie, met welke laatste twee hij in 1893
persoonlijk contact maakte en wier invloed duidelijk te zien is in zijn
vroege composities als Ballade de la
reine morte d`aimer.
Van het werk van Beethoven en Berlioz was Ravel
minder gecharmeerd. In 1894 maakte hij kennis met Edvard Grieg
Zijn
pianistenopleiding maakte hij niet af. In 1895 verliet hij het
conservatorium, naar men zegt om zich vooral aan compositie te wijden,
hoewel het volgend jaar slechts twee liederen verschenen. In 1897 keerde
hij terug naar het conservatorium om bij Gabriel Fauré –die Jules Massenet daar was opgevolgd-
compositielessen te volgen en bij André Gédalge
contrapunt en orkestratie.
Afbeeldingen
tonen Ravel in die tijd als modebewuste dandy,
die vaak de salons bezocht van Madame
René de Saint-Marceaux en de steenrijke
lesbische Winnaretta Singer,
die gehuwd was met de homosexuele Prins Edmond
de Polignac.
In 1898 maakte
hij persoonlijk kennis met Claude
Debussy.
In 1900 werd
hij bij het conservatorium uitgeschreven als student (vanwege zijn mislukte
deelnames aan de Prix de Rome- zie verderop), hoewel hij nog tot 1903 de
lessen van Fauré als toehoorder mocht bijwonen. Rond dezelfde tijd
verscheen zijn naam echter wel steeds meer in catalogi van uitgeverijen en
werd zijn werk voor het eerst publiekelijk uitgevoerd, onder andere door Ricardo Viñes.
Hij werd rond
1900 lid van een informele mannenclub, genaamd ‘Les Apaches’ (de Hooligans), waar toe naast Viñes,
Robert Mortier,
L`Abbé Léonce Petit en de componisten André Caplet, Manuel da Falla, Florent Schmitt
ook Maurice Delage, Désiré-
Emile Inghelbrecht, Michel- Dimitri Calvocoressi, Émile Vuillermoz, de schilder Paul Sordès
en de dichters Léon-Paul Fargue en Tristan Klingsor (Léon Leclère)
behoorden (1). De enige vrouw die er af en toe bij mocht zijn, was de
pianiste Jane Mortier, gehuwd met Robert Mortier. Ravel
speelde zijn nieuwe composities meestal eerst voor aan de Apaches.
Dat hij
heimelijk homosexueel zou zijn (en o.a. wellicht
een sexuele
relatie met Fargue zou hebben gehad) wordt door Ivry nogal benadrukt in zijn boek. Ivry
citeert ook bronnen die aangeven dat Ravel ‘vaak
de voorkeur geeft aan een vrouwenstem in een mannen-lied’ (2a). Ravel is, hoe dan ook, ondanks verschillende langdurige
relaties (2b en c) nooit getrouwd.
In 1904 raakte
hij via Viñes ook bevriend met de
kunstverzamelaar Cyprien (Cipa) Godebski, de (half)broer van Misia (3), en zijn vrouw Ida.
Tijdens zijn
opleiding aan het conservatorium
deed Ravel, zoals reeds gezegd, verschillende
pogingen om de Prix de Rome voor compositie te winnen. Dat deze
mislukten kwam (net als eerder bij Berlioz) gedeeltelijk omdat hij niet
geïnspireerd werd door de teksten die gebruikt moesten worden. Toen hij zich
in 1905 weer wilde inschrijven werd hij geweigerd. De romanschrijver Romain
Rolland en Alfred Edwards (directeur van Le Matin en gehuwd met Misia Godebska) kozen in het tumult dat hierna ontstond,
publiekelijk partij voor Ravel. Het rumoer
verstomde pas toen Théodore Dubois plaats maakte voor Fauré als directeur
(4).
1905- 1937:
Ondanks de
kritiek op zijn werk van allerlei mensen die vonden dat in de nieuwe muziek
alles herleidbaar moest zijn tot Debussy, begon Ravel
naam te maken als componist, aanvankelijk met pianomuziek en liederen en
later ook met orkestmuziek.
In 1905 sloot Ravel een overeenkomst met de muziekuitgever Durand dat deze voortaan, in ruil voor een bepaald
bedrag, het recht had Ravel`s nieuwe werk als
eerste te boordelen en eventueel te weigeren. Ravel
zou later bekennen ‘dat hij veel
liever wat minder geld had gekregen als hij zich dan minder gedwongen had
gevoeld muziek te produceren die zijn uitgever aangenaam was’.
De kleine
opera L'Heure espagnole
kwam in 1907 tot stand na een aantal niet voltooide opera projecten. Samen
met de Rhapsodie espagnole voor
orkest (1907/8) verraadde die Ravel`s voorliefde
voor Spanje. Voor de Ballets Russes van Sergej Diaghilev schreef Ravel (1909- 1912) het grootschalig opgezette
ballet Daphnis et Chloé.
Zijn houding
in die tijd met betrekking tot de Dreyfus Affaire
(1894- 1906) was niet zo duidelijk: Edvard Grieg weigerde vanwege deze
kwestie Frankrijk te bezoeken en veel intellectuelen en artiesten waren
kwaad, hoewel sommigen anti Dreyfus waren uit
patriottisme of vanwege antisemitische opvattingen, zoals Viñes en de vurige katholiek Vincent d`Indy. Ravel had een hekel
aan d`Indy, maar nam niet duidelijk stelling in
de Affaire, hoewel hij -volgens Ivry- in zijn vroege brieven enige ‘milde’
anti- semitische grapjes maakte.
Door zijn
correspondentie met Mme Fernand Dreyfus (de
moeder van Roland- Manuel), die na de dood van Ravel`s
moeder een soort surrogaat moeder voor hem werd, werd hij meer filo-Semitisch.
Dat is ook te zien aan de liederen die hij later schreef: de Chanson hébraïque
in 1910 en Kaddisch
, lied 1 van de Deux mélodies hébraïques (1914)
die werden uitgevoerd door Madeleine Grey.
In deze tijd
leerde Ravel ook Igor Stravinsky kennen. Deze laatste was in 1909 lid geworden
van Les Apaches. In 1910 richtte Ravel samen met
Paul Dukas, Florent Schmitt,
Charles Koechlin, Émile
Vuillermoz en nog enige andere ‘vrijdenkers’ de
Société Musicale Indépendante
(SMI) op.
In 1913 werkte
hij in het Zwitserse Clarens samen met Stravinsky
aan een nieuwe versie van Mussorgsky`s Khavanshchina. Ravel maakte
er kennis met Stravinsky`s Three Japanese Lyrics (voor stem en kamer- ensemble), die duidelijk
beïnvloed zijn door Schönberg`s ‘Pierrot Lunaire’. Ravel
schreef hierna Trois poèmes
de Stéphane Mallarmé.
Tijdens
de Eerste Wereldoorlog, waaraan hij uit vaderlandsliefde beslist
mee wilde doen, werd hij eerst afgekeurd voor dienst omdat hij twee kilo te
licht was. Hij probeerde toen bij de luchtmacht te komen, maar werd
uiteindelijk vrachtwagenchauffeur in het leger. Ondanks zijn nationalisme
nam hij afstand van pleidooien van o.a. Saint- Saëns
om Oostenrijkse en Duitse componisten niet meer uit te voeren. In 1916
moest Ravel wegens dysenterie vanuit Duitsland
naar Frankrijk terugkeren. Kort daarop stierf zijn moeder bij wie hij
steeds gewoond had. Hij ging tijdelijk voor herstel naar het huis van de Dreyfus`in Lyons- la Forêt
bij Rouen.
Tijdens de
oorlog lieten een aantal Franse artiesten vroegere nationale heldendaden
herleven. Ravel deed dat o.a. in zijn Trois Chansons voor gemengd koor, op
eigen tekst en het pianowerk Le Tombeau de Couperin,
opgedragen aan Couperin en de in WO I gesneuvelde
soldaten.
In 1920 wilde
de regering hem de orde van het Legioen van Eer toekennen, maar Ravel weigerde deze uit principe. Na het huwelijk van
zijn broer, bij wie hij na de oorlog was ingetrokken, kon hij dankzij een
legaat van zijn oom Edouard in 1921 de
villa Le Belvédère in Montfort l'Amaury bij
Parijs kopen, waar hij tot zijn dood zou blijven wonen. Hij ontving er zijn vrienden graag op het
terras en in de tuin. Het huis is nu een museum (5).
Door de oorlog
en zijn ziekte, maar vooral door de schok van zijn moeders dood verliep
zijn creatieve proces in die tijd vaak nogal langzaam. Tussen zijn liederen
Deux mélodies
hébraïques (1914) en Ronsard à son âme
(1924) zat 10 jaar.
Zijn
‘relaties’ met de leden van ‘Les Six’ waren heel verschillend: Cocteau hoorde tot het anti- Ravel
kamp, terwijl Louis Durey en ook Honegger, Germaine Tailleferre
en Milhaud een goede verstandhouding met hem
hadden. Poulenc had aanvankelijk niet veel met
hem op, maar in de jaren `30 veranderde deze van mening, vooral toen hij (Poulenc) met Pierre Bernac Ravel`s liederen ging uitvoeren.
Le Boeuf sur le Toit was in de
jaren `20 Ravel`s meest geliefde nachtclub, waar
jonge mannen met elkaar dansten, hoewel Ravel
daar zelf nooit aan mee deed. Hij bezocht ook regelmatig Le Monocle, een ‘lesbische’ bar, en Le Dingo, een ontmoetingsplaats voor
homo`s en lesbiennes. Wellicht heeft hij -volgens Ivry-
hier ook ‘populaire muziek’ voor gecomponeerd (onder een andere naam),
zoals voor de zangeres Paulette Darty.
Ravel ging
regelmatig naar het buitenland (6). Hij had die tournees (als pianist en
als dirigent- hoewel hij in beide beroepen nooit echt uitblonk) nodig als
inkomstenbron omdat hij niet alleen van zijn composities kon leven. In 1928 maakte hij, mede om
die reden, een grote concertreis door de Verenigde
Staten en Canada, georganiseerd door Elie
Robert Schmitz, president van de Pro Musica Society. Hier ontmoette hij
veel belangrijke kunstenaars (o.a. Bartók, Varèse en George Gershwin),
waaronder mensen uit de filmindustrie.
In datzelfde
jaar kreeg hij ook een ere- doctoraat van de Oxford University.
Op verzoek van
de danseres Ida Rubinstein kwam
ook in 1928 de Bolero tot
stand en verder componeerde hij tussen 1929 en 1931 onder meer
het pianoconcert in D voor de linkerhand ‘Concerto pour la main gauche’. Dit stuk werd
geschreven voor Paul
Wittgenstein die in de eerste wereldoorlog zijn rechterhand was
verloren. Voor een film gebaseerd op Cervantes
componeerde hij in 1932-33 de liederen van Don Quichotte
à Dulcinée.
Begin jaren
`30 ontving Ravel allerlei mensen die het
fascisme probeerden te ontvluchten en voorzag hen van geld, hoewel hij zelf
niet veel bezat.
Vanaf 1935 was
hij, ten gevolge van een niet geheel opgehelderde neurologische aandoening
in zijn hersenen (7), niet meer in staat te schrijven. Hij stierf op 28
december 1937, 62 jaar oud, in een Parijs ziekenhuis. Hij werd begraven op
de begraafplaats Levallois-Perret in Parijs,
waar ook zijn ouders lagen.
Zijn huis en royalties liet hij na aan zijn broer Edouard, die ze weer vermaakte aan zijn masseuse en
huishoudster Mrs. Jeanne Taverne. Zij schonk ze op haar beurt aan haar
echtgenoot Alexandre, een kapper. In 1966
ontdekte de Amerikaanse musicoloog Arbie Orenstein
bij Alexandre in huis, zes tot dan toe onbekende
composities van Ravel, waaronder vier liederen
uit de periode 1893- 1910. De latere bezitter van veel belangrijke
manuscripten van Ravel, Alexandre`s
tweede vrouw, stond geleerden helaas niet toe deze te onderzoeken, waardoor
serieuze uitgaven van veel van zijn werken (een tijd lang) niet mogelijk
waren.
Graham Johnson
geeft aan dat ‘het vergelijken van Ravel met Debussy qua ‘grootheid’ niet te doen is,
hoewel (hij vindt dat)Debussy een grotere vernieuwer was, met een bredere
emotionele range; hij had meer werken op zijn naam staan en zijn
pioniersstatus was uniek.’
Hopkins in de
New Grove noemt Ravel echter (o.a.) een belangrijke vernieuwer in de
‘pianistische stijl’ en een moedige en succesvolle experimenteerder
met muzikale vormen. Veel van zijn aantrekkingskracht zit in zijn
sympathieën: met die van kinderen en dieren en met het exotische en antieke
leven. Benjamin Ivry noemt het werk van
Debussy ‘vaak impressionistisch’, in tegenstelling tot dat van Ravel.
Ravel werkte in
grote afzondering aan zijn composities. Een muziekstuk ‘groeide’ in hem en
als het af was, was het ook áf en men moest zijn werk daarna exact volgens
zijn notatie uitvoeren. Hij kon tijden bezig zijn met kleine details, reden
waarom Stravinsky hem ook wel een ‘Zwitserse horlogemaker’ noemde. Anderen
noemden hem ‘koel’ en afstandelijk. Ravel had
weinig leerlingen. De belangrijkste waren Maurice Delage, (Alexis) Roland- Manuel,
Manuel Rosenthal en Ralph Vaughan
Williams,
Ravel componeerde
een groot aantal werken. De musicoloog Marcel Marnat
heeft er een genummerde catalogus van gemaakt, gerangschikt volgens genre:
Opera`s, balletten en fantasieën; Orkestwerken; Concerten; Koorwerken;
Kamermuziekwerken; Pianowerken (solo) en Vocale werken met instrumentale
begeleiding. Hieronder volgt een bijna volledige opsomming van deze laatste
categorie.
De
belangrijkste uitvoerders van Ravel`s liederen
waren de mezzo- sopraan (en pianiste) Jane
Bathori, de sopraan Marcelle Gerar (Marcelle Regerau), de
joodse (mezzo-) sopraan Madeleine
Grey (Madeleine Nathalie Grumberg)
en de –oorspronkelijk Zweedse- sopraan Louise Alvar
Harding (Louise Beckman)(8). De ligging van de liederen is daarom
ook meestal aan de ‘hoge’ (S f M) kant.
In 2015 is er
een complete uitgave van alle liederen verschenen bij Durand
in hoge én mezzo/ alt ligging,
naast een uitgave met een ‘toppers’-selectie. De meeste liederen( veelal in
hoge ligging) zijn inmiddels ook los op Internet te vinden, maar een
complete ‘papieren’ uitgave verdient toch wel de voorkeur!
Liederen met
piano:
|

|
46 mélodies: The comprehensive collection of Ravel's art songs includes a preface, a list
of sources, and translations for study. The same songs appear in the High Voice and Medium/Low (moyenne
ou grave) Voice editions. (Ed. Durand). Inhoud: Ballade de la reine morte d'aimer;
Un grand sommeil noir; Sainte; Chanson du rouet; Si morne!; Deux
Épigrammes de Clément Marot; Manteau de fleurs; Shéhérazade; Cinq
Mélodies populaires grecques; Noël des jouets; Les Grands Vents venus
d'outremer; Histoires naturelles; Sur l'herbe; Tripatos;
Chants populaires; Trois Poèmes de Stéphane Mallarmé; Deux Mélodies
hébraïques; Trois Chansons; Ronsard à son âme; Chansons madécasses; Rêves; Don Quichotte à Dulcinée
|

Maurice
Ravel, Mélodies choisies. Voix
élevée of Voix moyenne ou
grave
|
Inhoud: Aoua; Asie; 3 poèmes de T. Klingsor; Chanson à boire;
Ch. de la mariée ; Ch. des cueilleuses de lentisques; Ch. ecossaise; Ch. épique; Ch. espagnole; Ch. française;
Ch. hébraïque; Ch. italienne; Ch. Romanesque; Il est doux; Kaddisch; L'énigme éternelle; L'indifférent; La flûte
enchantée; La pintade; Là-bas vers l'église; Le cygne; Le grillon; Le
martin-pêcheur; Le paon; Les grands vents venus d'outre-mer; Nahandove; Quel galant m'est comparable; Sur l'herbe;
Tout gai!
|
|
jaar
|
Titel lied/ cyclus
|
Op tekst van
|
Opgedragen aan/
in opdracht van
|
opmerkingen
|
Stem-
soort
|
Uitgave bij
|
Beoordelingen:
|
|
GJ*
|
PB**
|
ik
|
|
ca.1893
|
Ballade de la reine morte d`aimer
|
Roland de Marès
|
|
Toont invloed
van ‘medievalisme’ van Satie
|
M
|
Salabert
|
|
|
E
|
|
1895
|
Un grand sommeil noir
|
Paul Verlaine
|
|
Invloed van
Debussy; depressieve kant van Ravel
|
lage
stem
|
Salabert
|
|
|
|
|
1896
|
Sainte
|
Stéphane
Mallarmé
|
Mme Edmond Bonniot (née Mallarmé)
|
Hymne voor
St. Cecilia; invloed van Satie (ME kerkmuziek)
|
M
|
Durand
|
|
|
|
|
1898
|
1.Chanson du rouet;
2.Si morne!
|
Leconte de Lisle
Emile Verhaeren
|
|
Niet
gepubliceerd tijdens zijn leven; 1.invloed van Schubert, Duparc, Chopin, Chabrier; volksmuziek met nieuwe begeleiding 2.‘confessioneel’;
depressieve kant
|
1.?
2.?
|
Salabert
|
1.M
|
|
|
|
1896-99
|
Deux épigrammes de Clément Marot:
1.D`Anne jouant de l`espinette (1896)
2.D`Anne qui me jecta de
la neige (1899)
|
Clément Marot
(1496-1544)
|
M. Hardy Thé
|
1.speciaal voor
klevecinisten!
|
M
|
Eschig
|
1.E
2.E
|
|
|
|
1903
|
Manteau de fleurs
|
Paul Gravollet
|
|
|
M/A
|
Hamelle
|
|
|
|
|
1903
|
Shéhérazade (oorspr. liederen met orkest)1. Asie, 2. La flûte enchantée, 3. L`indifférent
|
Tristan Klingsor
|
1.Jeanne Hatto
2. Mme René de Saint-Marceaux
3.Mme Sigismond Bardac (= Emma Bardac) (ook: 2c)
|
Invloed van
Debussy, volgens Ravel; de pianoreductie m.n.
van 1. is enorm moeilijk (G.J./ P.B)
|
S
of
T
|
Durand
|
E
|
E
|
|
|
1905
|
Noël des jouets
|
M. Ravel
|
Mme Jean Cruppi
|
Weerspiegelt Ravel`s fascinatie voor alle mechanische dingen
|
M
|
Salabert
|
|
|
|
|
1904-06
|
Cinq melodies populaires
grecques
(vert. Calvocoressi) 1.Chanson de la mariée;
2.Là-bas, vers l`église; 3.Quel galant;4. Chanson des cueilleuses; 5.Tout gai!
|
|
(Calvocoressi)
|
Quel gallant..zeer ‘viriel’(PB)
Chanson des cueilleuses- zonder speciale expressie zingen, als
door vrouwen tijdens hun werk
|
1.S
2.M
4.M/A
|
Durand
|
M/E
|
E
|
2+4
E
|
|
1906
|
Histoires naturelles: 1.Le paon,2. Le grillon, 3.Le
cygne, 4.Le martin- pêcheur, 5.La pintade
1de
uitgave ’46 mélodies’ geeft onjuist aan: ‘à
Madame Sigismond Bardac’
(= Emma Bardac)
|
Jules Renard
|
1.Jane Bathori 1
2. Mad. Picard
3. Misia Godebska
4.Emile Engel
5.Roger- Ducasse
|
Stomme ‘e’
van gesproken Frans wordt nu in de gezongen muziek geïmporteerd- PB geeft
aan hoe te doen; Debussy vond dat ergerlijk.
Pianopartij
belangrijk en moeilijk.
Le martin-pêcheur
is moeilijkste maar ook mooiste (P.B.)
|
S/M
|
Durand
|
E
|
E
|
|
|
1907
|
Les grands vents venus d`outre- mer
|
Henri de Régnier
|
à Jacq.Durand
|
Weerspiegeling
depressieve kant R.
|
S/M
|
Durand
|
|
|
|
|
1907
|
Sur l`herbe
|
P.Verlaine
|
|
|
M
|
Durand
|
|
|
|
|
1909
|
Tripatos (vert. Calvocoressi), danse chantée
|
|
Marguerite Babaïan
|
Postuum gepubliceerd
|
|
Salabert
Durand
|
|
|
|
|
1910
|
Chants populaires: 1. Chanson espagnole, 2.Chanson
française, 3.Chanson italienne, 4.Chanson hébraïque, (7).Chanson
écossaise
|
7. Robert Burns
|
|
Geschreven
voor liederen-competitie in Moskou (won hij mee); geschikt voor recitals;
Ch. hébraïque is
beste (G.J.); Ch. écos.
won geen
prijs en dus postuum gepubliceerd (=zetting van Burns` ‘Ye banks and braes’ ).
|
1.M/A
2.M/S
3.M/A
4.M/A
|
Durand
|
|
|
E
|
|
1913
|
Trois poèmes de Stéphane Mallarmé
(oorspr. liederen met ensemble): 1.Soupir 2. Placet futile 3.
Surgi de la croupe et du bond
|
Mallarmé
|
1.I.Stravinsky
2.Fl. Schmitt
2.E. Satie
|
R. meest
‘geavanceerde’ muziek
|
M
|
Durand
|
|
|
|
|
1914
|
Deux mélodies hébraïques:1. Kaddisch,
2. L`énigme éternelle
|
|
|
Buitengewoon
simpele harmonie
(allereerst
door Madeleine Grey gezongen)
|
1.M
2.A
|
Durand
|
|
|
x?
|
|
1914-15
|
Trois chansons (oorspr. koorwerk):
1.Nicolette,2. Trois beaux oiseaux de paradis, 3.Ronde
|
M. Ravel
|
1.Tristan Klingsor
2.Paul Painlevé
3.Mme. Paul Clemenceau
|
Geschreven terwijl
Ravel in afwachting was van zijn
legerinlijving; ‘nationalistisch’
|
M
|
Durand
|
M
|
|
2=E
|
|
1923-24
|
Ronsard à son âme
2.
in ’46 mélodies’ à Marcel Gerar
|
Pierre de Ronsard
|
Marcelle
Gerar2
|
Zeer
‘spaarzaam gezet’ lied
|
A
|
Durand
|
M
|
|
x?
|
|
1926
|
Chansons madécasses (oorspr.liederen
met ensemble):1. Nahandove 2. Aoua 3. Il est doux
|
(Évariste –D. de Parny)
|
Opdr. v. Elizabeth Sprague Coolidge
|
1.verteller
wordt gezongen door vrouw 3. Een Afrikaans ‘under
the greenwood tree’
|
S
|
Durand
|
E
|
|
|
|
1927
|
Rèves
|
Léon-Paul Fargue
|
|
Zeer
‘spaarzaam’, zie Ronsard à son
âme
|
A
|
Durand
|
|
|
E
|
|
1932-33
|
Don Quichotte à Dulcinée (oorspr.
liederen met orkest):
1.Chanson romanesque, 2.Chanson épique, 3. Chanson à boire
|
Paul Morand
|
1.Robert Couzinou
2.Martial Singher
3.Roger Bourdin
|
Alleen door
bariton te zingen (PB)!
|
Barit.
|
Durand
|
|
|
|
|
*GJ = Graham Johnson
**PB= Pierre Bernac heeft samen met Ravel
gewerkt aan deze liederen. Hij gaat in zijn boek dan ook diep in op de
interpretatie; M= Mooi; E= Erg
mooi
x(?) Zal ik (waarschijnlijk) gaan zingen
en uiteindelijk beoordelen
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|