|
ERIK
SATIE (1866- 1925)
Over/ van
Satie is redelijk veel bekend, mede vanwege (de publicatie van) zijn
aantekeningen, commentaren, ‘causerieën’ en artikelen.
Onderstaand artikel
heeft geenszins de pretentie een volledig beeld te scheppen van zijn
persoon.
Het leven van
Erik Satie was nauw verbonden met dat van componisten als Poulenc en Milhaud. Zie voor
meer info hierover hun reeds eerder gepubliceerde biografieën.
I.
Biografie
II.
Zijn werk
A. Algemeen
B. Indeling in periodes
C. Overzicht van de Mélodies et Chansons (de Caf`Conc`)
voor s/m/a.
I.Biografie:
Éric Alfred Leslie
Satie werd
in 1866 geboren te Honfleur als zoon van de
scheepsbevrachter en behoorlijk muzikale Alfred Satie en zijn eveneens
muzikale, Schotse vrouw Jane Leslie Anton. Na de Frans- Duitse oorlog van
1870 verhuisde de familie naar Parijs, waar Éric`s
moeder twee jaar later stierf. Hij werd toen, met zijn broertje Conrad,
teruggestuurd naar zijn grootouders in Honfleur.
Van 1874 tot
1878 volgde hij daar muzieklessen bij Monsieur Vinot,
organist van de Saint- Léonardkerk. Nadat zijn oma in 1878 overleden was,
keerde Éric weer terug naar Parijs, waar zijn
vader in hetzelfde jaar trouwde met de pianiste- componiste Eugénie Barnetche, aan wie Éric een
hekel had.
Hij studeerde
vanaf 1879 –op instigatie van Eugénie- aan het Conservatoire national supérieur de musique in
Parijs. In 1882 werd hij vanwege zijn zwakke prestaties in de
voorbereidingsklas voor piano uitgeschreven, maar vanaf 1883 bezocht hij
als gaststudent harmonie- colleges bij Antoine Taudou.
In 1885
studeerde Éric, die zich nu Erik noemde, opnieuw
aan het Conservatoire, nu in de pianoklas van George Mathias, maar deze vond al snel dat hij te weinig
capaciteiten had en slecht van blad kon lezen. Zijn beste vriend op dat
moment was de Catalaan Patrice (J.P.)
Contamine de Latour
(1). Het voordeel van zijn nieuwe conservatoriumstudie was dat hij nu maar
één jaar in vrijwillige dienst hoefde in plaats van vijf jaar verplicht.
Bij de infanterie ingelijfd liep hij een bronchitis op die maar moeilijk genas
en na vijf maanden werd hij ontslagen van zijn militaire verplichtingen.
Zijn vader die
op dat moment al enige tijd bezig was een muziekuitgeverij op te zetten
(voor liederen van zijn vrouw, van zichzelf en allerlei ‘café- concert’
genres), publiceerde in dat jaar vijf liederen van zijn zoon en van De Latour.
In 1887
vertrok Erik naar Montmartre, toen nog aan de rand van Parijs gelegen.
Dat gebied had veel cafés en cabarets en telde dus vele kunstenaars:
acrobaten, kunstschilders, muzikanten en schrijvers. Satie genoot zeer van
de stimulerende sfeer in deze omgeving.
Hij werkte er
als cabaret- en barpianist, meestal in Le Chat Noir (zie ook noot
14), waar
hij
als
‘gymnopédiste’ werd geïntroduceerd door Vital Hocquet, vlak voor dat
hij -in 1888- zijn Gymnopédies schreef. Hij raakte er o.a. bevriend met
Alphonse Allais, hoofdredacteur van het
gelijknamige weekblad ‘Le Chat Noir’. Later trad
Satie vooral op in de Auberge du Clou.
In 1889
ontmoette hij in de Auberge du Clou Joséphin Péladan,
de grootmeester van de -onlangs door deze opgerichte- Orde van
de Rozenkruisers en groot Wagner bewonderaar (2). Aangetrokken door de
spirituele ‘Middeleeuwse’ mengeling van religie, mystiek en cultus, werd
Erik de huiscomponist van deze Orde, die het katholicisme verdedigde en
Kunst zag als ‘essentiële expressie van het katholieke geloof’. In 1892
kwam er een einde aan deze betrekking, omdat hij uiteindelijk een andere
muzikale voorkeur koesterde. Hij stichtte een eigen kerk, de ‘Église métropolitaine
d’art de Jésus-Conducteur’,
waarvan hij zelf maître de chapelle en
enige gelovige was,
al bleef hij nog wel enige tijd lid van de Rozenkruisers.
In 1891 kwam
hij, ook via Vital Hocquet,
in contact met Claude Debussy en
er ontwikkelde zich een levenslange, maar niet altijd eenvoudige,
vriendschap tussen hen. Deze relatie heeft in Debussy's
werk vele sporen achtergelaten. Voor Satie betekende dat het einde van zijn
isolement, maar bij het groter worden van Debussy's
naam als componist, verdween voor de buitenwereld Satie meer en meer in
diens schaduw (3). Erik ging ca. 1891 voor het eerst samenwerken met Vincent Hyspa. Ook Maurice Ravel
leerde hij goed kennen, evenals Charles
Koechlin en nog veel anderen, zoals de
illustrator en cartoonist Jules Dépaquit, Léon- Paul Fargue,
Toulouse- Lautrec en Augustin
Grass- Mick.
In 1893 kwamen
zijn Vexations
tot stand: de Bezoekingen, waarin
hij afrekende met het onderwijs aan het Conservatoire (4). In hetzelfde
jaar begon ook zijn kortstondige affaire met het model (en de latere
naaktschilderes) Suzanne Valadon (5). Zij verhuisde naar een kamer in de Rue Cortot, die aan die van
hem grensde. Hij werd geheel door haar geobsedeerd en noemde haar
zijn ‘Biqui’. Zes maanden later echter
verliet ze hem, waarna ze introk bij Paul Moussis.
Met Bonjour, Biqui,
Bonjour nam Satie definitief afscheid van haar.
Als hij over
wat geld beschikte –zoals dat zeker rond 1895 het geval was- dan trakteerde
hij zijn vrienden royaal. Zij slaagden er echter, in tegenstelling tot
Satie, langzamerhand in professionele, beter betaalde carrières op te
bouwen, terwijl hij na 1896 zijn maaltijden regelmatig‘bij
elkaar moest scharrelen’.
Ondertussen
veranderde Montmartre van karakter: het verloor het rustieke dorpskarakter
en werd berucht vanwege grootschalige prostitutie. Le Chat Noir sloot in 1897 en nieuwe cabarets werden geopend,
meer naar het zuiden, op veiligere plekken.
Satie trok
vanwege enorm geldgebrek in 1898 ook naar het zuiden: hij laadde zijn
spullen op een handkar en ging in de rue Cauchy
no. 22 (nu 34) te Arcueil- Cachan
wonen. De ‘Maître d`Arcueil’ verbleef er, hoewel
hij nog regelmatig financiële steun van zijn broer Conrad kreeg, in
kommervolle omstandigheden tot zijn dood.
Hij knipte
zijn lange haar af, deed afstand van zijn ‘bohemien’ attributen en
veranderde in een ‘respectabele gentleman (bourgeois)’: het werd het begin
van de periode waarin hij het meest ongelukkig was en naar eigen zeggen ‘rudes saloperies’( ‘damn rubbish’) schreef. Elke
dag liep hij naar Montmartre om daar te werken als café- concert pianist,
waarbij Vincent Hyspa er voortdurend op moest
letten dat Satie niet te veel dronk om hem nog te kunnen begeleiden. De Trois morceaux en forme de poire (1890- 1903) (6) zijn een weerslag van deze
periode. Ze bestaan grotendeels uit arrangementen van cabaretliedjes. Zijn
muziek werd nog eenvoudiger, kaler, en in tegenstelling tot zijn vroegere
stukken zeer regelmatig, ‘klassiek’ van zinsbouw.
In 1905 –
Satie was toen 39 jaar- zette hij een zeer moedige stap en ging alsnog
contrapunt, fuga en orkestratie studeren aan de Schola Cantorum
bij Vincent d`Indy
en Albert Roussel.
In dezelfde tijd bezocht hij nog steeds regelmatig het Cabaret des Quat`z- Arts, waar hij voor componeerde en waarin hij
optrad met Vincent Hyspa. Ook deed hij ca. 1908
vrijwilligerswerk voor een radicaal- socialistische organisatie in Arcueil, de ‘Patronage laïque’
(wellicht contrapunt lessen of een kinderkoor?)
Een aantal
muziekstukken die hij na zijn studie schreef, zijn vele jaren na zijn dood
alsnog gepubliceerd, hoewel Satie er bewust voor had gekozen ze niet uit te
geven.
Op 4 juli 1909
werd hij benoemd tot Officier van de Académie Française vanwege zijn
verdiensten voor de gemeenschap van Arcueil.
Debussy en Ravel zetten zich vanaf 1911, op concerten van de
Société Musicale Indépendente (SMI), voor
Saties werken in. Ravel had de SMI opgericht om
de grote invloed van Vincent d`Indy in de Sociéte Nationale te bestrijden en hij wilde vooral de
betekenis van Satie`s werk van vóór zijn studie
aan de Schola benadrukken. Daarbij wilde Ravel
ook aangeven dat Debussy en hijzelf allebei in feite geleerd hadden van (de
vroege) Satie en dat hijzelf niet een ‘debussyste’
was. Zo kreeg Satie voor het eerst enige waardering bij het ‘grote’
publiek. In 1913 speelde Ricardo Viñes
voor het eerst zijn muziek in een recital, waarmee Satie`s
carrière als het ware een stempel van goedkeuring kreeg.
In 1915 hoorde
de schrijver Jean Cocteau
een uitvoering van de Trois morceaux
door Satie en Viñes en via de kunstschilderes
Valentine Hugo kwam
Satie in nauwer contact met hem.
De eerste
uitvoering van het ballet Parade (voor
orkest en typemachine) – in 1917 veroorzaakte een schandaal. Daarmee
was in één klap Satie`s reputatie als componist
gevestigd. Satie schreef het ballet samen met Cocteau en Picasso, voor de Russische
impresario Djagilev, leider van de Ballets Russes. Alhoewel zij
verschillen van inzicht hadden tijdens de creatie van hun gezamenlijke
ballet, zette Cocteau zich in toenemende mate in
voor de muziek van Satie en hij droeg met zijn geschriften ertoe bij, dat
Satie bij het publiek steeds bekender werd. In 1918 noemde hij diens muziek
in zijn ‘Le coq et l'arlequin’ als
dé moderne en zelfstandig Franse muziek.
Zo werd het
werk van Satie na de Eerste Wereldoorlog tot een voorbeeld voor
de nieuwe oriëntatie van de Franse muziek. Hierna interesseerden zich ook
jonge musici steeds meer voor zijn muziek, onder meer George Auric, Darius
Milhaud , Francis Poulenc, Germaine Tailleferre, Arthur
Honegger en Louis Durey.
Zij werden al spoedig door het publiek als leerlingen van Satie gezien en
benoemd als de ‘Groupe des Six’.
Satie zelf zag zich niet als koploper van een school; hij wees elke aanhang
en de daaruit volgende dwang af.
Satie behoorde
ook tot de groep rond Léon- Paul Fargue die ‘Potassons’
werd genoemd en die bijeenkwam in de winkel van Adrienne Monnier om Fargue`s grappige
én obscene verhalen te beluisteren(15). Volgens Adrienne had deze groep in
de periode 1918- 1923 veel invloed. Potassons waren volgens haar: (A) ‘Variety of the human species that is
distinguished by its kindness and its sense of life..etc.’
Fargue`s ‘chanson de chat’ -op muziek gezet door Satie in 1923 op
verzoek van Comte Étienne de
Beaumont (16) - werd door de
Potassons geadopteerd als ‘Marche des Potassons’.
In 1923 vormde
zich, dankzij Milhaud, een andere groep jonge
componisten rond Satie: ‘L `École d`Arcueil’, bestaande uit Cliquet-
Pleyel, Desormière,
Maxime Jacob en Henri Sauguet. Satie`s
gezondheid verslechterde inmiddels steeds verder, met name vanwege zijn
forse alcohol- inname. Uiteindelijk zou hij dan ook in het ziekenhuis aan
leversclerose sterven.
In de laatste
jaren van Satie`s leven was de reeds genoemde Comte Étienne de
Beaumont zijn belangrijkste opdrachtgever. Deze erfde na de dood van
zijn ouders het ouderlijk huis, Hôtel de Masseran in Rue Masseran in Parijs. In dit grote herenhuis gaf de
Beaumont spraakmakende feesten. In 1924 startte hij met hulp van Jean Cocteau en de balletdanser en choreograaf Léonide Massine onder de
titel Les Soirées de Paris met ballet- en theatervoorstellingen
in het Théâtre de la Cigale op
de Boulevard de Rochechouartin in
Montmartre.
De consequentheid
waarmee Satie zich steeds hermetischer voor de buitenwereld afsloot, maakte
het zelfs voor zijn beste vrienden vrijwel onmogelijk contact met hem te
blijven onderhouden. De minste faux- pas kon een onherstelbare breuk
veroorzaken. Dit overkwam onder velen ook Poulenc,
toen deze bevriend raakte met een criticus voor wie Satie slechts
verachting had. Poulenc werd aan zijn sterfbed
geweigerd met de woorden: ‘Il faut
être intransigeant jusqu'au bout’.
Milhaud, die Satie
tot het einde toe trouw bleef, beschreef hoe hij met enkele andere vrienden
na Satie`s dood de kamer, waarin hij ruim
vijfentwintig jaar geleefd had en waarin hij nooit iemand had toegelaten,
aantrof. Er bleek, behalve twaalf dezelfde ouderwetse, nog ongedragen
corduroy pakken, niets van enige waarde aanwezig te zijn. Een armzalig bed,
een oude tafel en stoel en een kapotte piano waren zijn enige bezittingen.
Overal lagen stapels oude kranten, wandelstokken en versleten hoeden; een
paar sigarendozen bevatten enkele duizenden stukjes papier met curieuze
inscripties en tekeningen. Achter de piano vond Milhaud
verscheidene composities, waarvan Satie zelf overtuigd was dat hij ze vele
jaren eerder in de bus had laten liggen.
II. Zijn werk:
A.Algemeen:
Satie, die ook
wel de Picasso van de muziek wordt genoemd, schreef muziek voor theater
en ballet, en componeerde daarnaast veel pianomuziek. Zijn
composities worden getypeerd als origineel, humoristisch, vaak bizar, en
minimalistisch.
Beïnvloed door
de middeleeuwse muziek en bouwkunst componeerde hij voornamelijk volgens
het principe van de bouwdoos, waarmee hij een oplossing vond voor het
probleem van zijn geringe muziektheoretische kennis. Hij gebruikte enkele
geprefabriceerde elementen, die hij toepaste, onafhankelijk van
conventionele parameters als melodie, ritme en harmonie. Zonder vaste
reeks, vrij inwisselbaar en herhaalbaar, volledig of gedeeltelijk, kon
ieder van deze elementen op verschillende toonhoogten aaneengeschakeld worden.
Hij noemde zichzelf aanvankelijk liever ‘phonométrographe’
(=iemand die geluiden meet), dan
musicus. Door zijn toepassing van vrij gecombineerde en repetitieve
elementen liep Satie in de jaren 1890 vooruit op een techniek die pas in de
tweede helft van de twintigste eeuw belangrijk zou worden, namelijk in
de seriële muziek en de aleatorische muziek (7). Zijn aanpak
stond in scherp contrast met de monumentale, gewichtige compositiestijl van
de late romantiek, speciaal met de muziek van Richard Wagner.
Satie streefde
naar een toneelmuziek die niets anders zou zijn dan decor, klinkende sfeer.
In 1918 deed hij voor het eerst een poging om dit idee in zijn symfonisch
drama Socrate te realiseren. Hij zelf sprak
in 1920 van een Musique d`ameublement
(meubilerings-muziek). Doordat de muziek niets dan klankachtergrond is, die
men uitsluitend oppervlakkig of überhaupt niet waarneemt, worden
verdubbelingen tussen actie en muziek vermeden. De actie staat op de
voorgrond; de muziek is onafhankelijk van welk detail dan ook, maar roept
de sfeer van een scène op.
Satie gaf zijn
pianostukken titels als ‘Op een boot’, ‘Over een lantaarn’
of ‘Over een helm’ en verfraaide de partituren van deze composities
met allerlei geschreven opmerkingen, waarmee hij de uitvoerder aanmoedigde
een verhaal te vertellen met zijn muziek.
Satie heeft
ook veel (artikelen) geschreven, aanvankelijk onder de pseudoniemen
Virginie Lebeau en François de Paule, maar later onder eigen naam.
B.Indeling in periodes:
Zijn oeuvre
laat zich grofweg naar tijdsperioden indelen: Vanaf 1884 ontstonden vooral
vroege pianowerken en de Rozenkruiser- stukken. In het midden van de jaren
1890 volgde muziek voor het café en het cabaret. Na afloop van zijn
contrapuntstudies in 1908 componeerde hij opnieuw hoofdzakelijk
pianomuziek. Vanaf 1916 volgde de fase van veelvoudige producties,
waaronder balletten, piano- en filmmuziek, liederen en het symfonisch
drama Socrate.
Alfred Cortot (8) maakte
het volgende onderscheid:
‘la période du mysticisme et des influences médiévales (1886-1895),
la période de mystification et d'excentricité
(1897-1915), la période de la musique d'ameublement (1916-1925).’
De Amerikaan
John Cage wees in de jaren 40 op de moderniteit van Satie en gaf daarmee de
aanzet voor een hernieuwde aandacht voor Satie`s
werk. In Nederland heeft Reinbert de Leeuw
eind jaren zeventig en daarna begin jaren negentig (en tot op de dag van
vandaag) erg veel gedaan om Satie’s ‘musique d’ameublement in
Nederland bekend te maken.
Voor info over
alle werken/ uitvoeringen zie:
http://www.durand-salabert-eschig.com/formcat/catalogues/satie_erik.pdf.
Het boek van
Robert Orledge bevat ook een zeer uitgebreide
catalogus van Satie`s composities.
C.Overzicht van de Mélodies
et Chansons (de Caf`Conc`) voor s/m/a.
|

|
M;elodies et chansons:
Hymne ; Trois melodies
de 1886 ; Trois autres melodies;
Trois poemes d'amour
Trois melodies de
1916; Ludions ;
Tendrement ; Chez le docteur ;
L'omnibus-automobile; Trois melodies sans paroles; Allons-y chochotte ;
Je te veux; La diva de l'empire
|
|
Neuf chansons
de cabaret et de caf' conc’ (1899-1909) (14): Oeuvres inédites et posthumes:
Un Diner A L'Elysee; Le Veuf; Petit Recueil des Fetes: (Le Picador es Mort); Sorcière; Enfant
Martyre; Air Fantome; Imperial Oxford (sans
paroles); (J`avais un Ami); La Chemise
(17)
|
|
Jaar:
|
|
Titel
lied/ cyclus
|
Op tekst van
|
Opgedragen aan/ in opdracht van:
|
Opmerkingen:
|
Stem-
soort
|
Uitgave bij
|
Beoordelingen
|
|
G.J
|
P. B
|
Ik:
|
|
1886- 1895: la période du mysticisme et des
influences médiévales (8)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1886
|
|
Elégie
|
Contamine de Latour
|
Céleste Le Prédour
|
No 2. In Trois Mélodies de 1886 van Salabert
1968; Publ. Alfred Satie, 1887
( als
‘op.19’)
|
s/m
|
Salabert
|
|
|
E
|
|
1886
|
|
Trois mélodies:
1. Les Anges, 2. Les fleurs,
3. Sylvie
|
Contamine de Latour
|
1.Ch.Levadé, 2.
comtesse Gérald de Marguenat, 3.Mdm. Olga Satie
|
Publ. Alfred
Satie, 1887 (als ‘Op.20’); no. 1,3 in Trois Mélodies de 1886, Salabert
1968; no 2 in Trois Autres Mélodies
(no3) in Salabert 1968
|
s/m
|
Salabert
|
|
|
|
|
1887
|
|
Chanson
|
C. de Latour
|
Valentine de Bret
|
Publ. Alfred
Satie 1888 (als ‘Op. 52’);
no 1 in Trois
Autres Mélodies, Salabert 1968; Vlgs. Steven Moore Whiting
(p.66) is Chanson meer een chansonnette van het café- concert
|
s
|
Salabert
|
M
|
|
|
|
1891
|
|
Hymne pour le ‘Salut drapeau’ du 'Prince De
Byzance’
|
Joséphin (Sar) Péladan
|
de Rozenkuizers
|
Vermoedelijk het
moeilijkste lied van Satie om uit te voeren (G.J)
|
s
|
Salabert
|
|
|
|
|
1893
|
|
Bonjour Biqui, Bonjour
|
E. Satie
|
Suzanne Valadon
|
|
s
|
Internet
|
|
|
|
|
1897- 1915: la période de
mystification et d'excentricité
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1899-
1909
(14 en
16)
|
|
*Neuf chansons
de cabaret et de caf' conc’: Oeuvres inédites et posthumes: 1.Un Diner A
L'Elysee;2. Le Veuf; 3.Petit Recueil des Fetes:
(a. Le Picador es Mort); b. Sorcière; c. Enfant Martyre
(sans paroles);
d. Air Fantome
4.Imperial Oxford (sans paroles);5. (J`avais un Ami); 6. La Chemise
|
Vincent Hyspa
(1 t/m 3)
Contamine de Latour (4)
Onbekend
(Satie?) (5)
Jules Dépaquit (6)
|
voor
uitvoering door Hyspa (1-3)
5. Paulette Darty(?)
6. Paulette Darty
|
Satie
begeleidde Hyspa op de piano bij deze liederen
3= harmonisch
zeer gewaagd
4: zeer
syncopisch cf. de Parijse ‘cakewalk’ mode
|
1=a
2a=s
2b=a
3a=s
3b=a
(3c=s)
3d=s
(4=a)
5=m
6=s
|
Salabert
|
|
|
x
5=E
|
|
1897
1903
|
|
Je te veux
(9)
(uit 1897- 1902?)
|
Henry Pacory
|
Paulette Darty (10)
|
Oorspr. voor een
man geschreven (G.J. p. 462)- zie noot 9; wals
|
s/m
|
Salabert
|
|
|
M
|
|
ca
1902
|
|
.Tendrement
.L`Omnibus
automobile
|
Vincent Hyspa (14)
|
|
Oorspr. titel:
‘Illusion’; wals
|
s/m
a
|
Salabert
|
|
|
M
x
|
|
ca
1903
|
|
Chez
le docteur
|
Vincent Hyspa
|
|
|
a
|
Salabert
|
|
|
x
|
|
1904
|
|
La
Diva de L `Empire
(11)
|
D.Bonnaud, N.Blès
|
Paulette Darty
|
‘Stand-
walk’; Gepubliceerd als ‘marche chantée’ maar
in feite een ‘cakewalk’ (= dans oorspr.
afkomstig uit Zuiden van V.S.); woorden vaak in combi Frans- Engels;
cakewalk was toen al grote hit in Parijs; de pasjes zijn hier niet
gespecificeerd; ‘alleen ‘machine- achtig’
|
s/m
|
Salabert
|
M(?
|
|
E
|
|
1905
|
|
Trois Mélodies
sans paroles:1.Rambouillet, 2.Les oiseaux, 3. Marienbad
|
Onbekende
auteur
|
|
2. en 3.
Hebben wel woorden in andere versies (Moore Whiting
p. 239- 243)
|
3= a
|
Salabert
|
|
|
|
|
1906
|
|
Allons-y chochotte
|
D. Durante
(verm. een pseudoniem)
|
Paulette Darty
|
Verraderlijk voor
niet-Fransen! (G.J. p.463); geschreven als oefening? (Moore Whiting p. 320)
|
s en
a
|
Salabert
|
|
|
|
|
1906
|
|
Chanson Médiévale
|
Catulle Mendès
|
|
geschreven
als oefening op de Schola Cantorum
|
|
Salabert
|
|
|
|
|
1907
|
|
Psitt!,
Psitt!
|
E. Depré en/of J.Bousquet ?
|
|
Uit Revue:
Chapeau!, Chapeau- P. Darty
Moore Whiting p. 326 e.v. geeft verschillende variaties
|
s/m
|
niet
gepubliceerd?
|
|
|
|
|
1914
|
|
Trois Poèmes d`Amour
|
E. Satie
|
Henri Fabert
|
(oorspr. versies in çabaret
stijl)
|
(t)a
|
Salabert
|
|
|
M
|
|
1916- 1925: la période de la musique d’ameublement
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1916
|
|
Trois mélodies de 1916:
1.La Statue de bronze
2.Dapheneo
3.Le Chapelier (d`Après Álice
au Pays des Merveilles)
|
Léon-Paul Fargue
M. God (12)
René Chalupt
|
Jane Bathori
Emile Engel
Igor Strawinsky
|
Jane Bathori en Emile Engel waren een samenzingend
echtpaar;
La Statue is voor eerste helft ‘café-concert achtig;
laatste deel dromerige ‘mélodie’
Daphénéo: prose- poem
|
s/m
|
Salabert
|
E
|
E
|
1,2
E
|
|
1920
|
|
Quatre petites mélodies:
1.Elégie, 2.Danseuse,
3.Chanson,4. Adieu
|
1.A. de Lamartine 2.Jean Cocteau 3.
Anon.18de eeuw
4.R. Radiguet
|
1.C. Debussy (pour le tombeau de Debussy)
|
Klein, maar
zeer fijn (G.J. p. 463)
3. Chanson à boire! 4. Adieu: ‘afscheid van Satie van het
componeren’(?). Cocteau zou bezig zijn hem te
laten stoppen (Moore Whiting p. 508 e.v.); (4).
R. Radiguet, was de geliefde van Cocteau
|
1.s/m
2.m/a
3.a
4.m/a
|
Eschig
|
E
|
|
E
|
|
1923
|
|
Ludions : 1. Air du Rat, 2.Spleen, 3.La Grenouille
américaine 4.Air du Poète, 5. Chanson du Chat (13)
(+15)
|
Léon-Paul Fargue
|
Comte Étienne de Beaumont (16)
|
Oorspr.uitv: Marguerite Jacquemaire (= latere Comtesse
Marie-Blanche de Polignac) en G. Tailleferre; bedoeld met orgel; gedicht 1-3-5 ‘licht’; 2 en 4 meer serieus. Idee:
naast Bestiaire van Poulenc
in een programma! (G.J. p. 464)
|
s/m
|
Salabert
|
E
|
|
1,4,
5 E
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
*schuin gedrukte liederen zijn Chansons
(de Caf`Conc`)
Beoordelingen:
M= mooi; E= erg mooi; Graham Johnson bespreekt een groot aantal liederen;
Pierre Bernac bespreekt alleen La Statue de bronze, Daphénéo en Le chapelier (Trois
Mélodies de 1916): deze geven volgens hem een
goed idee van Satie`s kunde; X/ X : is/ wordt
onderdeel van mijn repertoire
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|