|
KURT
WEILL (1900- 1950) en Lotte Lenya (1898- 1981)
|
1900
|
1910
|
1920
|
1930
|
1940
|
1950
|
|
Dl is
centraal keizerrijk maar overal nog kleine vorstendommen met veel
invloed; Beieren is officieel nog zelfstandig
|
WO I
1914-
1918
|
1919
November-
revolutie;
economische
crisis Duitsland;
Hyperinflatie
1923
|
Dawesplan
(1924-29):
Roaring Twenties
androgyne
vrouwen, kubisme
surrealisme,
etc.
|
Grote
depressie
(1929 e.v.)
|
Rijksdag
brand-
Hitler aan de
macht
|
Jodenvervolgingen
vanaf 1933
WO II
(1939-1945)
|
Dl bezet
door geallieer-
den:
1945- 49
|
Vorming BRD
en DDR
|
|
Duitse Keizerrijk
|
Republiek van Weimar (1918- 1933)
|
Derde Rijk (1933-1945)
|
herstel Dl./
periode van de Koude Oorlog
|
|
|
|
|
|
|
|
|
K. Weill geboren:
Dessau
|
Berlijn- Lüdenscheid-
Leizpg- Berlijn
(bij Busoni); invloed Mahler, Stravinsky, Hindemith/ G. Kaiser
|
Berlijn:
huwelijk
Lotte Lenya/samen-
werking B.
Brecht
|
Parijs-
Londen/
scheiding
|
New York (1935- 1950)
hertrouwd met Lotte Lenya
|
Kurt Weill gestorven:
New York
|
|
(lied)composities:
|
‘im Volkston’/ religieuze thema`s
(Joodse
achtergrond)
|
Vrij- tonale
stijl
opera-
ballet- jazz-film; Zeitoper-
Songspiel
|
The Playwrights`Company
(1935- 1940)-
Musicals (1940-1945)- Broadway opera (1945-1950)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
I.Kurt Julian Weill werd op 2 maart 1900 als derde van vier kinderen
geboren in een religieuze joodse familie in Dessau
(Anhalt). Zijn vader Albert was
daar voorzanger in de plaatselijke synagoge en hij componeerde
ook liturgische muziek en gewijde motetten. Zijn moeder heette Emma Ackermann. Vader Albert nam de kinderen regelmatig mee
naar het Hertogelijk Hof Theater. Op vijfjarige leeftijd begon Kurt met
pianospelen en twaalf jaar oud gaf hij in het stadhuis van Dessau al zijn eerste concert met zelfgemaakte
composities. Hij werd regelmatig ingehuurd als oefen- pianist voor de
operazangers van het Theater en gaf daarnaast les aan de jongste dochter
van Hertog Friedrich II.
Kurt studeerde aanvankelijk theorie en compositie
bij (de liberaal joodse) Albert Bing,
de kapelmeester van het Theater. Deze overtuigde hem er van dat hij
componist moest worden in plaats van ‘uitvoerder’. Hoewel Kurt acht maanden
voor het einde van WOI dienstplichtig werd, is hij nooit in dienst geweest,
vermoedelijk omdat hij student was. Dat hij op dat moment geld verdiende
voor het onderhoud van zijn familie wordt als niet zo waarschijnlijk gezien
(1).
Hij vertrok in 1918 naar de Hochschule
für Musik in Berlijn,
waar hij compositieles kreeg van Engelbert
Humperdinck (Wagner-adept), contrapunt van
Friedrich Koch (Mendelssohn- adept) en koordirectie van Rudolf Krasselt.
Kurt werd door de revolutionaire
studentenraad van de Hochschule tot
voorzitter gekozen, met de opdracht een nieuwe directeur te zoeken in
plaats van de conservatieve August Kretzschmar
(2) en hij kwam met de suggestie de bekende pianist en ‘impressionistische’
Ferruccio Busoni
als zodanig te benoemen. De chauvinistische studenten vonden deze echter
niet Duits genoeg. Waarom Kurt zo
snel daarna de Hochschule verliet is niet geheel
duidelijk: om financiële redenen, maar misschien ook om iets meer van de
wereld te zien.
Hij werd aanvankelijk, op uitnodiging van Albert
Bing, ‘répétiteur’ van het operagezelschap van het voormalige
Hof Theater in Dessau, maar vanwege onmin met de
muzikaal directeur vertrok hij naar het nieuwe Stedelijke Theatergezelschap
in Lüdenscheid waar hij (tijdelijk) dirigent
werd. Uiteindelijk keerde hij in 1920 terug naar Berlijn, waar hij leerling
werd van de eerder genoemde (Bach-) Busoni, die nu aan de Preussische
Akademie der Kunste een
masterclass voor jonge veelbelovende componisten gaf. Busoni
was in die tijd naarstig op zoek naar een nieuwe vorm voor de ‘aria’, in te
bedden in de opera. In de praktijk studeerde Kurt meestal bij Ferruccio`s vriend en assistent Philipp Jarnach. Hij bleef er tot zijn diplomering in 1923,
terwijl hij zichzelf intussen op allerlei manieren in leven hield: van
orgelspelen in synagoges tot pianospelen in
biertenten, het helpen van studenten als Claudio Arrau,
Nikolaos Skalkottas en Maurice Abravanel bij hun lessen
muziektheorie, en het leveren van muziekkritieken voor Der deutsche Rundfunk.
In het begin van de jaren twintig schreef hij een
aantal werken, zoals de pantomime Zaubernacht en de
liederencyclus Frauentanz
(Sieben Gedichte des Mittelalters,
opus 10) (3)
en rond 1925 werd hij, na een serie uitvoeringen in Berlijn en op
internationale muziekfestivals, erkend als een van de belangrijkste
componisten van zijn generatie, tezamen met Paul Hindemith en Ernst Křenek.
Begin 1924 kwam hij in contact met
de expressionistische dramaturg Georg Kaiser. Bij een van zijn bezoeken aan Kaiser leerde hij
de actrice Lotte Lenya kennen. Met haar zou
hij twee maal in het huwelijk treden (zie
II).
Zij gingen wonen bij ‘Papa’ en ‘Mama’ Hassforth
aan de Louisenplatz bij Charlottenburg.
Op een libretto van Kaiser ging in 1926 Kurt`s eerste opera, Der Protagonist, in première. In de surrealistische
–eenakter- opera Royal Palace, op een libretto van Iwan Goll werd zijn stijl heel duidelijk: film en
Amerikaanse dansmuziek maakten er voortaan deel van uit. Voor het
kamermuziekfestival in Baden- Baden (1927), kort tevoren ontstaan
dankzij Hindemith, kreeg Weill
de opdracht voor een eenakter. Op zijn zoektocht naar een libretto
kwam hij (opnieuw?) in aanraking met (de orthodox marxistische) Bertolt Brecht, dichter en zelf ook
componist (4). Een gevolg van hun samenwerking was de Kleine Mahagonny (officiële titel: Mahagonny Songspiel). Omdat de zangtechnische
moeilijkheidsgraad van de liederen heel verschillend was, kwam Brecht op
het idee om de makkelijke vrouwenliederen (bijv. Alabama Song) te laten
uitvoeren door een actrice die ook kon zingen. En zo kwam Weill op het idee Lotte Lenya
in te schakelen. Haar stem was ‘prachtig doorrookt en hoerig’ en ze had ‘de
juiste proletarische achtergrond’. Het werd een Succès de scandale.
Voor de opening van het Theater am Schiffbauerdamm in
Berlijn in 1928 vroeg Brecht hem om muziek te componeren bij zijn Dreigroschenoper (een ‘Stück mit Musik’: een gelijk
aandeel van drama en muziek). De combinatie Brecht- Weill
werd hiermee in een klap wereldberoemd. Het Mahagonny
Songspiel zou daarna als basis dienen voor de
grotere opera Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny,
die in 1930 in Leipzig in première ging. De stukken waren anti- burgerlijk,
anti- kapitalistisch en anti- oorlog gericht.
Omdat Brecht de rol van de muziek in zijn
politieke theater nogal beperkte en Weill daar
steeds meer moeite mee had, ging de laatste op zoek naar een andere
partner. Hij kwam terecht bij de decorontwerper Caspar Neher
voor het libretto van zijn epische opera Die Bürgschaft (1931) en weer bij Georg Kaiser
voor Der Silbersee,
geschreven in een ‘zeer verantwoorde stijl’, ‘geëigend voor zijn serieuze
onderwerpen’. In 1933 werden kort na
de première van Der Silbersee, die een
ballade direct gericht tegen Hitler bevatte, verdere uitvoeringen hiervan
én alle andere muziek van Weill`s hand door de
Nazi`s verboden en als ‘entartet’ bestempeld. Bij
de boekverbranding in mei gingen zijn originelen in vlammen op en
kort daarop werd ook de vertoning van de populaire film ‘Die Dreigroschenoper’ verboden.
Direct na de machtsovername door Hitler vertrok Weill met Lotte Lenya naar
Parijs, waar zij al spoedig uit elkaar gingen. In Parijs schreef hij o.a.
–na een korte hernieuwde samenwerking met Brecht- muziek voor ‘Die sieben Todsünden’,
een ballet met zang voor sopraan en mannenkwartet, voor George Balanchine’s
gezelschap ‘Les Ballets
1933’. Helaas vonden de Franse critici het
stuk maar niets. In 1934 vestigde Weill
zich in het dorp Louveciennes buiten Parijs en
besloot, mede op aanraden van Milhaud, Honegger en andere Franse vrienden, zich verre te
houden van alle rivaliteiten in het Parijse muzikale leven. Na zijn
mislukkingen in Frankrijk (en Engeland waar zijn Der Kuhhandel/ A Kingdom
for a Cow flopte)
en door zijn uitsluiting van het Duitse muziekleven was Weill
bij het begin van WO II in Europa eigenlijk al min of meer een vergeten man
geworden.
In 1935 vertrok Weill
met Lenya naar New York, waar inmiddels ook
Brecht terecht was gekomen, en werkte daar samen met het Group Theatre en de toneelschrijver Paul Green aan de anti- oorlog musical Johnny Johnson. Door
de vriendelijke ontvangst in New York en in het besef dat het commerciële
theater meer mogelijkheden bood dan het traditionele operahuis, besloten Weill en Lenya er te blijven,
te hertrouwen en het Amerikaans staatsburgerschap aan te vragen (5). Weill ging voor Broadway samenwerken met Maxwell
Anderson aan Kinckerbocker Holiday en met de toneelschrijver Moss Hart en de liedjesschrijver Ira Gershwin, wat zijn eerste hit Lady in the
Dark (6) opleverde. Hierna volgden One Touch of Venus (1943) en nog veel andere musicals. Zijn shows
waren echt team- work: er moest met alles en
iedereen (financiën, uitgevers, publiek) rekening worden gehouden. De folk-
opera Down in the
Valley (1948) werd meer dan honderd keer op scholen en wijkcentra door
het hele land opgevoerd.
In december 1949 begon Weill
aan een musical naar Mark Twains Huckleberry Finn, maar dat werk kon hij niet
voltooien: op 3 april 1950 overleed hij aan de gevolgen van een
hartinfarct. Twee dagen later werd hij begraven op de Haverstraw Cemetry in
New York. Hoewel hij in 1947 nog Europa en Palestina bezocht had,
was hij nooit meer naar Duitsland teruggegaan..
Men spreekt vaak over de ‘twee Weills’: In Duitsland kende men zijn Amerikaanse werk
niet en in de V.S. wist men niets van zijn Europese stukken (7). Dankzij de
inspanningen van Lotte Lenya was er in de jaren
daarna sprake van een zekere ‘Weill-
renaissance’, maar velen bleven sceptisch over zijn werk, deels vanwege de
nadruk die er nu werd gelegd op zijn samenwerking met Brecht en deels omdat
men iemand die zoveel Broadway shows
had geschreven, moeilijk serieus kon nemen. Alleen Die Dreigroschenoper kon op ieders
instemming rekenen.
II.Lotte Lenya, werd in 1898 te Wenen geboren als Karoline Wilhelmine Charlotte
Blamauer. In 1914 vertrok ze naar Zürich, min of
meer op de vlucht voor haar drankzuchtige vader en het bekrompen milieu. Ze
kreeg er de kans danseres te worden, hoewel ze er regelmatig een bijbaantje
als ‘courtisane’ had. In 1921 vertrok ze naar Berlijn in de hoop verder
carrière te maken als zingende danseres.
In 1924 maakte ze kennis met Kurt Weill, waarna in 1926 hun huwelijk volgde. In 1927 zong
ze de rol van Jessie in het Mahagonny Songspiel.
Ze was met haar onnavolgbare (ongetrainde) sopraanstem een buitenbeentje in
de operacast en nooit zeker van een plaats, totdat ze de rol van Jenny in Die Dreigroschenoper
creëerde. Hierna begon haar theater- en filmcarrière. Ze trad meestal op in
werken van Weill`s hand, maar ook in stukken van
Wedekind en Karlheinz Martin. Hoewel ze in 1933
al gescheiden waren, componeerde Weill voor haar
de rol van Anna I in Die sieben Todsünden. Toen
zij in 1935 naar New York gingen, kwam het tot een verzoening en het jaar
erop hertrouwden ze. Na het succes van Lady
in the Dark kochten ze Brook House in
Rockland County, New York. Ze nam een aantal
liederen van Weill op op
de plaat, steunde de oorlog met uitvoeringen voor de Voice of America en
het Office of War Information en trok zich terug van het toneel na
minachtende opmerkingen over haar uitbeelding van de ‘Duchess’
in The Firebrand
of Florence.
Na Weill`s dood in 1950
wilde ze eigenlijk niet optreden op een herdenkingsconcert in de Town Hall,
maar het bleek een groot succes. Daarom werd het gebeuren daarna bijna
jaarlijks herhaald tot 1965. In 1951 speelde ze een rol in Broadway in Anderson's Barefoot in Athens en trouwde
vervolgens met de schrijver/ uitgever George Davis. Hij haalde haar over
de rol van Jenny in (aangepaste versies van) The Threepenny Opera te
spelen, waarvoor ze een Tony Award kreeg. Hierna trad ze bijna alleen nog
maar op in stukken van Weill. Hoewel haar stem nu
bijna een octaaf lager was geworden, maakte ze opnames van de Berlin
Theater Songs, Aufstieg und
Fall der Stadt Mahagonny,
Johnny Johnson, Happy End, Die Dreigroschenoper,
Die sieben Todsünden, en
de American Theater Songs.
Ze keerde terug naar Duitsland op zoek naar Weill`s verdwenen bladmuziek, om zijn rechten te
beheren en om er weer op de planken te staan. In 1957 overleed George Davis
plotseling, waarna Lotte zich nog meer bezig ging houden met Weill`s erfenis. In 1962 trouwde ze met de kunstenaar Russell Detwiler
die zeven jaar later, op 44-jarige leeftijd, stierf.
In de twintig jaar na Weill`s
dood pakte Lenya haar internationale carrière als
zangeres, danseres en als specialist in het Brecht- theater weer op. Ze
trad ook op in verschillende t.v- specials gewijd
aan Weill`s muziek en in de film (From Russia with Love, Mutter Courage, Cabaret, enz.). In 1962 richtte ze de
Kurt Weill Foundation op en in 1969 ontving ze
van de West- Duitse regering de Orde van Verdienste. In 1971 trad ze op in
het Holland Festival. Op 77-jarige leeftijd wilde ze nog een aantal van Weill`s werken in première laten gaan op het Festival
van Berlijn (1975), maar moest door ziekte afzeggen. Op 27 november 1981
overleed Lotte aan kanker. Ze werd in New York naast Kurt Weill begraven. De zangeres Teresa Stratas
werd haar opvolgster in de Weill Foundation.
Uitvoeringen:
Van de liederen van Weill/ Weill en Brecht
bestaan heel veel verschillende uitvoeringen. Pay-
Uun Hiu gaf in haar
artikel aan ‘dat er bij de meeste interpretaties (van de klassiek
geschoolde zangeressen Anne Sofie van Otter, Cathy Berberian,
Teresa Stratas en van anderen als Jasperina de
Jong, Marianne Faithfull) iets ontbreekt dat
Lotte Lenya en Gisela May wel hadden: het waren ‘zingende actrices’,
(‘vamps’)”.
Zie http://www.musiques-regenerees.fr/ExilBerlin/WeillKurt/kwChrono.html
voor chronologie, uitvoerders, samenvattingen, opnames enz.
Voor een overzicht van alle momenteel
bestaande/verkrijgbare liederenbundels, zie: http://www.kwf.org/pages/ww-currently-available-published-songbooks.html#album:
1.Ballade von
der sexuellen Hörigkeit und andere Songs (formerly
Song Album). German. Universal Edition
2.Brecht-Weill
Song Album. German. Universal Edition.17105
3.Kurt Weill-
from Berlin to Broadway
4.Kurt
Weill-Broadway and Hollywood. English. Hal Leonard.
5.Songs from Die Dreigroschenoper. German. UE
6.Threepenny
Opera--Vocal Selections. English Blitzstein.
7.Vocal Selections: Lost in the Stars. English. Warner.
8.The Unknown Kurt Weill. German, French, English. European American Music
(EA 493).
9.Kurt Weill Songs: A Centennial Anthology. Vol. 1-2. German, French,
English. Warner Bros.
(Hal Leonard)
10.Unsung Weill. English. European American Music
11. Sechs Stücke
aus dem Silbersee
Van enige bundels is hier de exacte
inhoud geheel onderaan in de tabel opgenomen; met wat speurwerk is van de
meeste liederen zo wel een uitgave te vinden.
Liederen/ Liederenbundels:
|
Liederen t/m Weills
verblijf in Europa (o.a. vermeld in New Grove, zonodig
aangevuld met The Unknown Kurt Weill); niet compleet overzicht
|
tekst van:
|
in 2: in 8:
|
Liederen na vertrek uit Europa (New
Grove aangevuld met The Unknown Kurt Weill)- tot 1944 en Kurt Weill
From Berlin to
Broadway (3);
niet compleet overzicht
|
tekst van:
|
in 2:in 8:
|
|
ca.1913
|
Reiterlied
|
H. Löns
|
|
1938
|
2 chansons pour L`opera
de quat’ sous
|
Y. Guilbert
|
|
|
ca.1915
|
Volkslied
|
A.Ritter
|
|
1938
|
2 Folksongs of the New Palestine:
Havu l'venim en Baa M'nucha
|
traditioneel
|
|
|
ca.1915
|
Im Volkston
|
A.Holz
|
|
1939
|
Nanna`s Lied (nooit
door Lotte L. gezongen!)
|
B. Brecht
|
x
|
|
ca.1918
|
Das schöne Kind
|
onbekend
|
|
1939
|
Stopping by Woods on a Snowy Evening
|
R. Frost
|
|
|
1941
|
My Ship (uit Lady In
The Dark)
|
Y. Gershwin
|
x (in 3)
|
|
1921
|
Die Bekehrte
|
J.v.Goethe
|
|
1942
|
Song of the Free
|
A.MacLeish
|
|
|
1921
|
Rilke lieder
|
R.M.
Rilke
|
|
1942
|
4 Songs of Walt Whitman: Beat! Beat! Drums!
Come Up from the Fields, Father; Dirge for Two
Veterans; O Captain! My Captain!
|
Walt Whitman
|
|
|
1923
|
Frauentanz (gewijd aan
Lotte Lenya)
|
|
|
1943
|
Und was bekam des Soldaten Weib?
|
B. Brecht
|
x
|
|
1925
|
Klops- Lied
|
Folkrhyme
|
|
1943
|
Speak Low- opgenomen
in One Touch of Venus
|
Ogden Nash
|
(in 3, 9) x
|
|
1928
|
Berlin im Licht- Song (slow-fox)
|
K.Weill
|
|
1942- 44
|
Songs for War Workers:
Propaganda Songs: Schickelgruber (= Hitler) (= no
2)
Buddy on the Nightshift (= no 5)
|
H. Dietz
|
x
|
|
O.Hammerstein
|
|
|
1928
|
Das Lied von den braunen Inseln
(uit ‘The Oil
Islands’ van Feuchtwanger)
|
L.Feucht-
wanger
|
|
1944
|
Wie lange
noch? N.B. de melodie is die van Je
ne t`aime pas (1934)-hergebruikt door het
‘Office of War Information’
|
W.Mehring
|
x
|
|
1928
|
Mahagonny- Songspiel: Alabama- Song
|
B.Brecht
|
x
|
|
|
1928
|
Dreigroschenoper: Moritat; Seeräuberjenny;
Barbara- Song; Kanonen- Song; Ballade vom
angenehmen Leben
|
B.Brecht
|
x
|
In en na WO
II heeft Weill, zoals boven reeds gemeld, nog
verschillende ongenoemde opera`s, als The Firebrand
of Florence (1945), Street Scene (1947) en Love Life (1948) gecomponeerd.
Persoonlijk ben ik echter meer geïnteresseerd in zijn oudere werken.
|
|
1928
|
Die Muschel von Margate (Petroleum-Song)
|
F.Gasbarra
|
|
1949
|
Lost In The Stars (uit
Lost In The Stars)
|
M.Anderson
|
x (in 3)
|
|
1929
|
Happy End: Surabaya- Johnny; Bilbao- Song
Was die Herren Matrosen Sagen;Der
Song von Mandeley
|
B. Brecht
|
x
|
|
|
|
|
1933
|
Der Abschiedsbrief
|
E. Kästner
|
x
|
|
|
|
|
1933
|
Fantômas
|
R. Desnos
|
|
|
|
|
|
1933
|
Es regnet
|
J.Cocteau?
|
|
|
|
|
|
1934
|
Complainte de la Seine
|
M. Magre
|
x
|
|
|
|
|
1934
|
Je ne t`aime pas
|
M. Magre
|
x
|
|
|
|
|
1935?
|
Youkali- Tango
Habanera (WOII lied verzet)
|
R.Fernay
|
x
|
|
|
|
|
1936
|
The Fräulein and the Little Son of the Rich
|
R. Graham
|
|
|
|
|
|
|
x/ x of x(?)
: wordt zeker of waarschijnlijk opgenomen op mijn repertoire; x:
reeds onderdeel van mijn repertoire
|
|

Ad 2.: Brecht-Weill Song Album for voice and
piano/guitar: Moritat Dreigroschenoper;
Seeräuberjenny- Dreigroschenoper;
Alabama-Song - Mahagonny; Surabaya-Johnny - Happy End; Barbara Song - Dreigroschenoper; Bilbao-Song- Happy End; Was die
Herren Matrosen sagen-
Happy End; Kanonen- Song - Dreigroschenoper;
Der Song von Mandelay - Happy End; Ballade vom angenehmen Leben – Dreigroschenoper

Ad 8.: The Unknown Kurt Weill: A
Collection of 14 Songs as Sung by Teresa Stratas: 14 art songs dating from 1925
to 1944 as masterly
performed by Teresa Stratas on the Nonesuch record. Includes:
Der Abschiedsbrief Berlin im
Licht-Song; Buddy on the Nightshift;
Complainte de la Seine; Es regnet; Je ne t' aime pas; Klops Lied; Das
Lied von den braunen Inseln; Die Muschel von Margate; Nanna’ Lied;
Schickelgruber; Und was bekam des Soldaten Weib?; Wie lange noch?; Youkali
|
Ad 9. Kurt Weill Songs: A Centennial
Anthology, deel 1: Alabama song ; All at
once ; Apple jack ; As long as I love ; Auf nach
Mahagonny ; Der Bäcker backt ums Morgenrot ; Ballad of the robbers ; Ballade
vom angenehmen Leben
; Ballade von Cäsars Tod ; Ballade von
der sexuellen Hörigkeit
; Barbara Song ; Berlin im Licht ; Big Mole ;
Bilbao song ; A boy like you ; The catfish song ; Come in, mornin' ; Complainte de la
Seine ; Dance around the golden calf ; David's Psalm; Denn wie man sich bettet, so liegt man; Dirge
for a soldier; Don't look now ; Economics ; Les filles de Bordeaux ;
Foolish heart ; Girl of the moment ; Le grand Lustucru
; Green-up time ; Here I'll stay ; How can you tell an American? ; How
much I love you ; Ich bin eine arme Verwandte ; If love remains ; I'm a stranger here
myself ; Is it him or is it me? ; It never was you; J'attends
un navire; Je ne t'aime
pas ; Kanonen Song ; Können einem toten Mann nicht helfen ; Kraniche-Duett ; Liebeslied ; Lied von den braunen
Inseln ; Lied von Schlaraffenland
; The little gray house ; Lonely house ; Lost in the stars ; Lotterie agents; Tango ; Love song ; Mack the Knife ;
March to Zion ; Marterl; Matrosen-Tango;
May and January ; Mile after mile ; Mon ami, my
friend ; Moon-faced, starry eyed ; Moritat vom Mackie Messer ; Mr. Right ; Die Muschel von Margate ; My ship ; My week
|
Deel 2 : The Nina,the Pinta, the Santa Maria;
Nur die Nacht darf nicht aufhör'n;
Oh, heart of love;Oh, the Rio Grande;The one indispensable man; One life to live;
One touch of Venus ; Our ancient liberties ; Pirate Jenny ; The princess
of pure delight; The promise; A rhyme for Angela; The right guy for me ;
River chanty ; Le roi d' Aquitaine ; The saga
of Jenny; The scars ; Seeräuberjenny ; September song ; Sing me not
a ballad ; Song der beiden Verkäuferinnen
; Song of Miriam ; Song of Ruth ; Song of the free ; Song of the
Rhineland ; Speak low ; Stay well ; Surabaya-Johnny ; Susan's dream ;
That's him; There'll be life, love, and laughter; There's nowhere to go
but up ; This is new ; This is the life ; This time next year ; Thousands
of miles ; To love you and to lose you ; To war! ; Tschaikowsky
(and other Russians) ; Le train du ciel;
Trouble man; The trouble with women; Two hearts;Vorstellung
des Fliegers Lindbergh; Washington Irving's song ; We are cut in twain ;
We'll go away together ; Westwind ; What good would the moon be? ; Will
you remember me; Wooden wedding ; Youkali ;
Young people think about love ; You're far too near me ; Zu Potsdam unter den Eichen.
|
Ad 3: Kurt Weill: from Berlin to Broadway:
Mack the knife (Threepenny Opera- 1928); The
Bilbao song; Surabaya Johnny (Happy End- 1929); Alabama song (The rise
and fall of the city of Mahagonny- 1929); Listen to my song; Mon ami, my friend (Johnny Johnson- 1936); It never was
you; September song; There's nowhere to go but up (Knickerbocker holiday-
1938); My ship; The saga of Jenny; This is new (Lady in the dark- 1941);
Speak low (One touch of Venus- 1943); Sing me not a ballad (The Firebrand
of Florence- 1945); A boy like you; What good would the moon be (Street
scene- 1947); Green-up time; Here i'll stay;
love song; Susan's dream (Love life- 1948); Little grey house; Lost in
the stars; Stay well; Trouble man (Lost in the stars- 1949)
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Bronnen:
Geschreven:
David Drew,
Kurt Weill, in: The New Grove
Dictionary of Music & Musicians, London, 1995
Ronald
Sanders, The days grow short, The Life and Music of Kurt Weill, London,
1980
Jürgen
Schebera, Kurt Weill, an illustrated life, Yale University U.S., 1995
David
Farneth, Elmar Juchem en Dave Stein, Kurt Weill, A Life in Pictures and
Documents, London, 2000
Lys
Symonette, The Unknown Kurt Weill, A Collection of 14 Songs as sung by
Teresa Stratas, New York, 1982
Donald Spoto,
Lotte Lenya, een leven, De Geus, Breda 1993
Pay- Uun Hiu, Geslapen met Weill,
gegeten met Brecht, Op zoek naar de erfgename van Lotte Lenya;
artikel Volkskrant 30 oktober 1998 p.27
Websites:
wikipedia
http://www.kwf.org/ (Kurt Weill Foundation)
http://www.kwf.org/pages/music-scores.html
http://www.songwritershalloffame.org/songs/C78
: lijst van al zijn liederen
http://www.musiques-regenerees.fr/ExilBerlin/WeillKurt/kwChrono.html
http://kurt-weill-fest.de/pages_d/kwz_4_0_0_0.html : Kurt Weill Zentrum Duitsland
Dit
artikel is voor het laatst bijgewerkt op 10 februari 2017
|