De Verlichting van de 17de eeuw

                                                      met de nadruk op de Republiek

 

 

                                                        N.B. aan deze pagina wordt nog gewerkt!!!!

 

Toen ik bijna 40 jaar geleden afstudeerde aan de Universiteit, wist ik eigenlijk één ding zeker: ik had veel geleerd, maar was me daarnaast heel erg bewust geworden van wat ik allemaal niet wist. Een van de grootste raadsels voor mij bleef:

Hoe had de geschiedenis van het denken zich ontwikkeld, en dan met name: hoe was de Verlichting van de 17de eeuw tot stand gekomen?

Alle jaren van mijn lespraktijk moest ik schoolboeken gebruiken, waarin soms chronologisch dan weer thematisch, dit onderwerp zeer rudimentair werd behandeld: Hobbes kwam ergens vandaan met zijn denken, Descartes vond een plek bij de uitvinders en Locke hoorde bij de Glorious Revolution. Spinoza kwam er soms ook in voor, maar verdween bijvoorbeeld weer in de nieuwste druk van het VWO boek, geschiedenis voor de bovenbouw.  Sommigen hadden ook zo hun plaats bij het centraal examenonderwerp over de Republiek (bijv. in 2012- 2013).

Echter hun samenhang, de relatie tussen hun ideeën bleef mij steeds onduidelijk, ook na hernieuwde raadpleging van mijn eigen studieboeken.  En als mij de exacte relatie al niet duidelijk was, hoe moest ik dan mijn leerlingen helpen?

Gelukkig waren ze tevreden met mijn gebrekkige uitleg en ik heb ze niet ‘wijzer’ gemaakt ten aanzien van mijn eigen twijfels.  Nu is de tijd gekomen er zélf meer van te willen weten en het ontstaansproces in zodanig duidelijke bewoordingen weer te geven, dat ook leerlingen dit zullen kunnen begrijpen.

 

Niets blijkt ingewikkelder dan filosofisch denken in begrijpelijke taal weer te geven. Niets ook moeilijker dan kop – en staart- te vinden in de enorme massa boeken die reeds is uitgegeven en nog dagelijks verschijnt. De literatuur hierover staat vol tegenstrijdigheden. Na maandenlange studie komen de ideeën van Wim Klever mij als zeer logisch en verfrissend voor. Veel moet ik nog verder proberen te begrijpen. Wim Klever heeft, volgens mij, de figuur Spinoza zijn ware plaats in de geschiedenis toegekend. Ook Locke is door hem, denk ik, in het juiste perspectief gesteld (0). Het reeds eerder verschenen boek van Theun de Vries over Spinoza is erg prettig leesbaar.

 

 

Er is voor gekozen het verhaal over de Verlichting te behandelen in twee aparte hoofdstukken, waarin een grove lijn geschetst is (1):

1.      Het ontstaan van de Verlichting in de 17de eeuw, met de nadruk op de Republiek.

I.                   de grote religieuze stromingen

II.                de belangrijkste filosofen

III.             de houding van het Vaticaan

2.      De Verlichting van de 18de eeuw, een aanvulling op het verhaal over Catharina de Grote (zie aldaar)

 

 

Hoofdstuk 1: Het ontstaan van de Verlichting in de 17de eeuw:

Als we een korte samenvatting willen geven van het begrip ‘Verlichting’, dan kunnen we zeggen dat het een filosofische beweging was van ca. 1650 tot 1789. Deze ontstond in Nederland (de Republiek), Frankrijk, Duitsland, Engeland en Schotland vanuit de Renaissance, de Reformatie, de ontdekkingsreizen en het daaruit voorkomende contact met andere volken. Bij dit artikel wordt er van uitgegaan dat de lezer al een zekere basiskennis bezit met betrekking tot bovengenoemde begrippen.

De Verlichting was daarnaast een reactie op de macht van de adel en de geestelijkheid. De rijke burgerij -de bourgeoisie- had economische betekenis gekregen, maar nauwelijks politieke invloed. Daarom speelden de discussies zich ook vooral af in hun kringen, in de ‘salons’. De situatie voor de burgerij was in de Republiek natuurlijk wel heel anders dan bijvoorbeeld in Frankrijk en Engeland.

De belangrijkste gedachte was dat men de waarheid kon vinden met behulp van de ratio (de rede, het verstand) in plaats van wat bijvoorbeeld kerkelijke autoriteiten zeiden voor ‘waar’ aan te nemen. Kennis voortkomend uit experimenten moest traditionele kennis en gewoonten vervangen. De Verlichting verwierp ‘het door God gegeven’ absolutisme en bracht de scheiding tussen kerk en staat. Men ging er van uit dat de mens gelijk was, van nature goed, autonoom, onafhankelijk en meester van zijn eigen lot. Die kennis kon door middel van onderwijs worden verspreid.

 

In dit eerste hoofdstuk is het van belang de verschillende religieuze stromingen van dat moment nu kort toe te lichten:

 

europa 17de eeuw

godsdiensten

                                           Europa na 1648:

niet duidelijk weergegeven op deze kaart is de enorme verbrokkeling van Duitsland; zie IIC

 

overwegend protestants (lutheraans)

 

door protestantisme beïnvloed (calvinisme)

 

rooms-katholiek

 

 

grieks- orthodox / islamitisch

 

I. De grote religieuze stromingen (2a):

 

A. Katholieken: vanuit Rome ontstond de Contrareformatie – een hernieuwd katholicisme-  als reactie op het protestantisme (zie B). Het Concilie van Trente (1545 – 1563) speelde een belangrijke rol hierin. De Jezuïetenorde deed veel voor de contrareformatie en mede hierdoor herleefden mystiek en volksdevotie weer.

-In Spanje en Italië bleef het katholicisme onbetwist de belangrijkste godsdienst. In Frankrijk kreeg het een geduchte concurrent in de vorm van de Hugenoten (zie B1)

-In de Republiek hadden de katholieken het ‘verloren’ van de protestanten en vooral van de calvinisten, maar zij werden wel getolereerd, hoewel ze hun godsdienst niet openlijk konden belijden. De situatie verbeterde na het Rampjaar 1672.

Armeense en Griekse katholieken hadden veel minder last dan de ‘Roomsen’(de Papen) omdat bij de laatsten de band met Spanje meespeelde. De Armenen en Grieken hadden in Amsterdam al vroeg een eigen openbare kerk.

Nicodemisten waren die mensen die lid bleven van de katholieke kerk hoewel ze in feite wel achter de Hervorming stonden.

 

B. Protestanten, te verdelen in:

1.Calvinisten: bij hen was de vorst, in tegenstelling tot bij de lutheranen, afzetbaar indien hij Gods geboden overtrad.

-In de Republiek kregen zij aanhangers onder degenen die zich verzetten tegen de Spaanse koning Filips II (1581).

Zij vielen uiteen in twee groepen:

a.de liberale Arminianen of Remonstranten, die een grotere rol zagen voor de vrije wil (tegen het idee van predestinatie). Zij kregen steun van de regenten: Oldenbarnevelt, Hugo de Groot, Jacob, Cornelis en Johan de Witt, ook wel de Staatsen of Loevesteiners genoemd. Deze vonden dat de controle van de kerk moest berusten bij het wereldlijk gezag.

b.Gomaristen of Contraremonstranten, die uitgingen van een strikte predestinatieleer. Zij werden gesteund door de calvinistische geestelijkheid, het huis Oranje (Prins Maurits), de ‘kleyne luyden’ (het gewone volk) en enige handelaren. De autonomie van de kerk werd door hen erkend en het wereldlijk gezag moest de kerk bijstaan bij haar beslissingen.

Op de synode van Dordrecht (1618-1619) werd de strijd tussen het infralapsarisme (idee der Arminianen, teruggaand Pelagius) versus het supralapsarisme (idee der Gomaristen, teruggaand op Augustinus) beslecht ten gunste van de Gomaristen. Zij behaalden de winst met name omdat zij de oorlog tegen de Spanjaarden wilden voortzetten.  Oldenbarnevelt die voor vrede pleitte, werd door toedoen van Maurits onthoofd in 1619 en Hugo de Groot werd gevangen gezet in Loevestein.

De Arminianen hadden nu geen predikanten meer, maar kwamen voortaan bij elkaar in ‘colleges’, die ook openstonden voor leden van andere groeperingen binnen de reformatie. Deze collegianten (waaronder Franciscus van den Enden en Adriaan Koerbagh) vormden centra waar ideeën redelijk vrij konden circuleren. Na de dood van Maurits in 1625 keerden veel gevluchte Arminianen terug en werden zij ‘gedoogd’.

Het Calvinisme zorgde er voor dat er in de Republiek, en m.n. in Amsterdam, vergeleken met Frankrijk en Engeland, goede sociale bijstand ontstond, die als een gemeenschappelijke taak van kerk en staat werd beschouwd. Door de godsdienstvrijheid ontstond er zelfs concurrentie tussen de verschillende religies in de organisatie van de hulp aan armen, weduwen en wezen.

 

-het calvinisme had ook invloed in Schotland (de Schotse reformatie) en in Engeland op de Puriteinen (we zien hier het presbyterianisme, d.w.z. de taken van een bisschop worden vervuld door leken). Oliver Cromwell (zie historisch overzicht

IIC) was zo`n puritein.

 

- In Frankrijk heetten de calvinisten Hugenoten. In 1598 hadden ze weliswaar van koning Hendrik IV bij het Edict van Nantes vrijheid van godsdienst gekregen, maar na 1660 besloten velen toch te vluchten. Zij vestigden zich vaak in de Republiek, Pruisen en Engeland en met name na 1685, toen het Edict werd opgeheven door Lodewijk XIV. Voor hen ontstonden er Waalse kerken.

 

Onder invloed van de calvinistische ideeën, ontstond m.n. in Frankrijk de godsdienstig- politieke beweging van het jansenisme (genoemd naar Cornelius Jansenius -1585- 1638- , o.a. bisschop van Ieper). De aanhangers leefden ascetisch, verwierpen de pauselijke onfeilbaarheid, Maria`s onbevlekte ontvangenis en de vrije wil: ‘goede daden helpen niet; ons heil ligt in handen van God’. Dit idee ging in tegen het Concilie van Trente (zie katholicisme). Het jansenisme werd ook een politieke beweging met veel leden vanuit de advocatuur en magistratuur, gesteund door het parlement, tegen het absolutisme van Lodewijk XIV, vooral tijdens de Fronde (1648-1653). In 1653 veroordeelde paus Innocentius X de ideeën als calvinistisch.

Het Jansenisme had tevens invloed op het ontstaan van het Labadisme (zie E.e)

 

De Waldenzen, ook wel armen van Lyon genoemd, waren de aanhangers van de koopman Petrus Waldo. De groepering ontstond in 1175 bij Albi. In tegenstelling tot de Albigenzen (Katharen) kenden zij geen dualisme. De Bijbel was de enige geloofsautoriteit en men moest al zijn bezit verkopen ten behoeve van de armen. Het evangelie werd vertaald in de streektaal en men uitte kritiek op de levenswijze van rijke geestelijken, op de aflaatpraktijken en het opdragen van missen voor de overledenen. Ondanks vervolgingen nam hun aantal toe in Zuid-Frankrijk en Noord- Italië, gesteund door de Zuid- Franse adel die zich hiermee verzette tegen de Franse koning. Deze sloot zich op zijn beurt bij de paus aan, die hen verketterde. Ze verborgen zich in de dalen ten zuidwesten van Turijn. Door het optreden van het leger van Lodewijk XIV nam hun aantal af van 700 naar 250. Een deel van de Waldenzen sloot zich in de 16de eeuw aan bij de Zwitserse protestanten. In de 17de eeuw waren zij als groepering populair in de Nederlandse Republiek. Stadhouder- koning Willem III financierde in 1689 hun terugtocht vanuit Zwitserland (Meer van Genève) naar Noord- Italië (2b).

 

3.Lutheranen: gingen uit van de gedachte dat de redding voortkomt uit de genade van God. Luther ontkende de vrije wil tot het goede. Bij hem was in tegenstelling tot de Calvinisten de vorst altijd de baas.

Er waren veel Lutheraanse zeelieden vanuit de Baltische Staten na de val van Antwerpen in de Republiek terechtgekomen. Zij zetten zich af tegen de orthodox- calvinistische geograaf Plancius én tegen Arminius en werden aanvankelijk flink lastiggevallen. Toen de koning van Denemarken hen ging steunen en er steeds meer zeelieden nodig waren in de Republiek, ging men hen hier uiteindelijk gedogen, terwijl

- In Duitsland (Pruisen) en Zweden het Lutheranisme de staatskerk werd

 

-In Engeland ontstond in de 16de eeuw de Anglicaanse kerk. Het werd een soort middenweg tussen katholicisme en

puriteinen. In de 17de eeuw ontstond de Engelse burgeroorlog tussen de katholieke absolutistische koningen en het puriteinse parlement (zie ook B1).

 

arminius

strijd Maurits oldenbarnevelt

gomarus

puriteinen

Fausto Sozzini een van de grondleggers socinianen

millenaristen

quakers

      Arminius

strijd Maurits -

Oldenbarnevelt

     Gomarus

   Puriteinen

Fausto Soccini-

grondlegger Socinianen

      Millenaristen

           Quakers                 

 

C. De Wederdopers, Doopsgezinden of Mennonieten (Menisten) werden door zowel protestanten als katholieken vervolgd. De term wederdopers of anabaptisten wordt vooral gebruikt voor de revolutionaire fase van de beweging (Jan van Leiden, Münster, 1534), hierna wordt vooral de term Mennonieten of Doopsgezinden gebruikt. Zij streefden naar een geweldloze wereld en wilden dus geen wapens dragen. Ook bepleitten ze een scheiding tussen kerk en staat. Ze waren tegen de kinderdoop en voor een persoonlijke belijdenis. Hun predikanten waren gewone leden van de gemeenschap. De Doopsgezinden weigerden de eed af te leggen en konden geen overheidsambten bekleden. Zij hadden geen dogma`s en streefden vooral een ‘praktiserend’ christendom na. De Joristen, die streng eschatologisch gericht waren, vormden een afsplitsing hiervan. Uiteindelijk verdween deze groepering bij gebrek aan leiders.

 

D. Joden: de meesten waren afkomstig uit Spanje en Portugal en waren na 1500 gevlucht. Ze waren daar onder druk van de Inquisitie al eerder bekeerd tot het katholicisme  -ze heetten daar conversos of ‘maranen’ (marranos= varkens)- , maar werden er alsnog vervolgd vanwege de ‘onzuiverheid van hun bloed’. Zij noemden zichzelf ‘anoessim’(= gedwongenen). Velen gingen via Antwerpen of rechtstreeks naar De Republiek, waar zij vaak weer terugkeerden tot het joodse geloof. Omdat ze daar eigenlijk niets (meer) van af wisten, hadden ze hiervoor rabbijnen nodig, die o.a. uit Venetië kwamen. In 1638 sloten de verschillende groeperingen een verbond (união). De joden kenden van 1650 – 1670 een hoog ontwikkelde boekdrukkunst en een van hun belangrijkste woordvoerders, Menasse Ben Israel, ging in 1655 zelfs naar Cromwell in Engeland om daar te pleiten voor wedertoelating van de joden aldaar na hun verdrijving in 1290.

Naast de joden uit Spanje en Portugal, de Sefardische joden, woonden er in de Republiek ten gevolge van de Dertigjarige oorlog in Duitsland ook veel gevluchte Hoogduitse en Oost-Europese Askenasische joden.

 

E. kleinere groeperingen/ sekten (3):

a. Antitrinitariërs (unitariërs): God was volgens hen slechts één persoon. Zij wezen de Drievuldigheid af.

Een gematigde antitrinitarische stroming vormden de Socinianen. Christus was volgens hen niet door zijn kruisdood, maar door zijn zedelijk voorbeeld verlosser geworden. Zij werden de voorlopers van het deïsme.

c. Millenaristen (chiliasten): Zij geloofden in de komst van een duizendjarig vrederijk van Christus op aarde. Het geloof dat Jezus fysiek aanwezig zal zijn in de periode hieraan voorafgaand (= premillennialisme) is te vinden bij hugenoten en wederdopers, maar ontstond al bij de joden.

d. Quakers (Religieus Genootschap der Vrienden), gesticht in 1649, geloofden dat er iets van God was in ieder mens, wat door ieder mens ervaren kon worden. Zij probeerden vaak mensen met elkaar te verzoenen. Voor hen was de bekering van de joden een van de tekenen van het einde der tijden.

e. Labadisten waren de aanhangers van Jean de Labadie (1610-1674), oorspronkelijk een katholiek priester, die gereformeerd predikant werd. Hij wilde de kerk diepgaand vernieuwen en de kerk beperken tot ‘de ware gelovigen’, waardoor het merendeel van zijn gemeenteleden werd uitgesloten. Hij werd in 1666 afgezet als voorganger van de Waalse gemeente in Middelburg en vertrok naar Veere en later naar Amsterdam. Vandaar vluchtte hij naar het Sticht Herford in Westfalen en vervolgens naar Altone in (het toenmalige) Denemarken.

f. Het Huis der Liefde ontstond rond Hendrik Niclaes (1502- 1580) in Emden, Kampen, Rotterdam en Keulen. Hij achtte de wedergeboorte mogelijk als een gelovige zich aansloot bij Niclaes zelf. Als de gelovige Niclaes gehoorzaam was, kwam hij in aanraking met God en werd hij vanzelf ‘vergodet’. Omdat men het aardse verachtte en de zichtbare kerk afwees, kon men zich conformeren aan het heersende geloof in het woongebied. De Antwerpse uitgever Plantijn, de geograaf Ortelius, Lipsius, Scaliger en Mercator waren hier lid van.

 

verlichting 3

foto

 

 

 

(Origineel: Bosatlas van de Geschiedeniscanon)

Renaissance, Verlichting en Wetenschappelijke revolutie: Onderlinge beïnvloeding filosofen

vanaf de Griekse Oudheid

 

(origineel: Bosatlas van de Geschiedeniscanon)

 

Baruch Spinoza

 

Christiaan Huygens

 

Hugo de Groot

 

René Descartes

 

II. De belangrijkste filosofen - per geboorte- land:

Filosofen formuleren hun ideeën in reactie op de ideeën van de religies, van andere filosofen, maar ook als gevolg van politieke gebeurtenissen in hun eigen land of elders in de wereld.

In navolging van Wim Klever zal Spinoza met de Republiek de centrale spil zijn in onderhavig artikel, maar zijn denken is slechts te begrijpen als tegenreactie tegen Descartes` ideeën.

Locke, Leibniz en alle overige genoemde denkers en wetenschappers zijn ‘randfiguren’ in dit verhaal. Zij zijn bezig hun (eigen?) ideeën over de ratio, de materie (God, natuur?), wel of geen vrije wil en het juiste staatsbestuur, steeds exacter te formuleren, maar gebruiken daar vaak formuleringen van Spinoza voor. Soms is hun doel alleen maar de ideeën van Spinoza helderder te verwoorden, of ze juist te weerleggen. Andere filosofen betreden het pad der ratio heel ver, maar schrikken terug voor de conclusie van het ‘atheisme’( God= Natuur, of nog radicaler: er is helemaal geen God), of de volkssoevereiniteit.

Onderstaand verhaal zal qua formulering en vormgeving in de toekomst op grond van nieuwe inzichten, zeker nog worden herzien.

     

1610

1620

1630

1640

1650

1660

1670

1680

1690

1700

Frankrijk

Descartes:     1596                       -                     1650

 

Engeland

Hobbes : 1588                    -                                                                                        1679

 

 

   Locke :       1632                                  -                                                                                       1704

 

Republiek

 

  Spinoza    : 1632                  -                                1677

 

Duitsland

 

         Leibniz  :  1646                             -                                                                  1716

 

      descartes

Hobbes

      descartes

      john locke

leibniz

                Descartes

           Hobbes

                 Spinoza    

             Locke

        Leibniz

 

 

A. Frankrijk:

1610

1620

1630

1640

1650

1660

1670

1680

1690

1700

Frankrijk

koning

Hendrik IV

vermoord

Lodewijk XIII : koning 1610-1643

belangrijke rol van kardinaal Richelieu

     1618 – 1648 Dertigjarige Oorlog

Lodewijk XIV  -aanvankelijk met Mazarin als voogd-  koning tot 1715

1635- 1659 Spaanse- Franse  oorlog: vrede van de Pyreneeën

1667- 1668 Devolutie-oorlog- verovering deel Spaanse Nederlanden

1672- 1678 Hollandse oorlog (met Engel. tegen Republiek):vrede v.Nijmegen

1683-1684 Frans- Spaanse Oorlog: 20j. Bestand van Regensburg

  1685: Edict van Fonainebleau= herroeping van Nantes: veel Hugenoten vluchtten

1688 -1697 Negenjarige Oorlog           ---      1701- 1713 Spaanse Successie- oorlog

 

René Descartes (1596 – 1650) wordt door velen beschouwd als de ‘vader’ van de moderne filosofie. Hij verwierp de nog steeds gangbare filosofie van Aristoteles - principes baseren op waarneembare feiten- en de scholastiek, het Middeleeuws denken in tegenstellingen, en beschreef de subjectiviteit van de menselijke waarneming: Wat is werkelijkheid, en wat is illusie? De menselijke waarneming is zo onbetrouwbaar, dat aan de werkelijkheid kan worden getwijfeld. Descartes vond dat alle echte kennis gebaseerd moest zijn op de wiskunde.

De wereld bestond volgens hem uit twee ‘substanties’(een substantie is bij hem iets wat op zichzelf kan bestaan), namelijk: geest (res cogitans = denkende substantie) en materie (res extensa = uitgebreide substantie), die wel samenkomen, maar twee gescheiden werkelijkheden zijn. De menselijke ziel is bij hem een absoluut denkende substantie.

Alle natuurverschijnselen waren bewegingen van de overal aanwezige uniforme materie en de bewegingen vonden plaats onder invloed van druk of stoot. Mensen zouden, in tegenstelling tot dieren, een ziel en (een beetje) vrije wil hebben, en konden, tot op zekere hoogte, zelf bepalen wat het lichaam deed. De mensen beschikten bij hun geboorte al over aangeboren ideeën, principes voor hun theorievorming en voor hun moraal. 

Terwijl velen Descartes nog steeds als een modern filosoof beschouwen, vindt Stewart hem behorend tot de Middeleeuwen met zijn ideeën om de geest los te koppelen van de materie. Stewart (Klever en De Vries) zien Spinoza daarentegen als eerste ‘modern’ denker omdat bij hem geest en lichaam niet te scheiden zijn.

 

Descartes heeft een aantal bezoeken gebracht aan Christina van Zweden toen ze nog in Stockholm woonde en ook diverse leden van de Fronde (zie Jansenisme) hebben hun toevlucht tot haar Hof gezocht.

 

In Frankrijk woonden naast Descartes ook nog andere belangrijke denkers, zoals bijvoorbeeld de wis- en natuurkundige Blaise Pascal (1623 – 1662). Hij vond o.a. de eerste mechanische rekenmachine uit en een openbaar vervoerssysteem. De Rede moest bij hem echter haar grenzen kennen en buigen voor de door God gegeven werkelijkheid. In zijn laatste jaren was hij steeds meer overtuigd van de waarheid van het christelijk geloof. Hij was een aanhanger van het jansenisme (zie aldaar).

De Franse filosoof Pierre Bayle (1647 – 1706 werd in 1675 tot hoogleraar in de filosofie benoemd aan de Protestantse Academie van Sedan. Toen deze in 1681 door Lodewijk XIV werd opgeheven, vluchtte hij naar de Republiek, waar hij hoogleraar werd in Rotterdam. Filosofie was voor hem vooral een zoeken, zonder ooit definitieve antwoorden te kunnen geven. Hij pleitte voor tolerantie en een strikte scheiding tussen geloof en wetenschap, maar hij was tegen volkssoevereiniteit en het recht van verzet (een recht wat de Hugenoten hadden, vond menigeen) om een burgeroorlog in Frankrijk te vermijden. Hij verzette zich ook anoniem tegen de Glorious Revolution( zie Engeland). Absolutisme en gewetensdwang hoefden niet samen te gaan vond hij, want burgers met een andere godsdienst konden toch goede staatsburgers zijn. Door de scheiding van Kerk en Staat, zou de Franse staat losser komen van de Rooms- Katholieke Kerk. Bayle werd in 1693 ontslagen door het prinsgezinde stadsbestuur van Rotterdam, mede door toedoen van de gereformeerde kerk.

Jean Meslier (1664 - 1729), was een Franse katholieke priester, die uiteindelijke elke godsdienst afzwoer: Religies waren uitvindingen van de heersende elite en onrechtvaardigheid werd gemotiveerd als ‘zijnde de wil van een al- wijs Opperwezen’. Hij ontkende ook het bestaan van de ziel en de vrije wil. Hij ging heftig tekeer tegen sociaal onrecht en pleitte voor een soort landelijk proto- communisme: alle mensen in een gebied zouden bij een commune horen, waar bezit gemeenschappelijk was en iedereen zou werken.

Charles de Saint-Evremond (1610 / 1613 ? – 1703) was een Frans essayist, literair criticus en deïst en behoorde tot de kring van libertijnse edellieden rond de prins van Condé. Hij werd vanwege zijn kritiek op de Franse politiek in 1661 verbannen door Lodewijk XIV en woonde in de Republiek van 1662 – 1672. Daar ontmoette hij Spinoza (zie B). Van 1675 tot zijn dood verbleef hij in Engeland en werd in Poet`s Corner van de Westminster begraven.

 

 

B. De Republiek:

 

1610

1620

1630

1640

1650

1660

1670

1680

1690

1700

Republiek

1602 oprichting VOC

1609-1621  12- jarig bestand

1618-1619  Synode van Dordrecht

1648: vrede v. Münster

1650 dood stadh. Willem II; Republ. stadhouderloos tot 1672

1651 (zie Eng.): Acte van Navgatie/ 1652 – 1654 1ste Eng. Zee-oorlog

1665 – 1667 2de Eng. Zee-oorlog

Johan de Witt bestuurt de Republiek - 1672 vermoord – Willem III nu

stadhouder en in 1688 tevens, met Mary, koning van Engeland

 

                   Willem III heeft veel veldslagen te leveren tegen 

                   Frankrijk en Engeland (zie aldaar)

        1702 Willem III

        overlijdt

 

Zoals als gezegd bij Descartes, wordt Baruch Spinoza (Benedictus de Spinoza of Bento de Espinosa of d`Espinosa) (1632 – 1677) door De Vries, Stewart en Klever gezien als eerste ‘modern’ denker omdat bij hem geest en lichaam niet te scheiden zijn. Spinoza beweerde in zijn ‘Ethica ordine geometrico demonstrata’ dat er maar één substantie is, met een oneindig aantal attributen, en dat er niets buiten kan bestaan: ‘De geest is geen onafhankelijk iets, maar een functie van het lichaam’, die stopt met denken na de dood. De substantie ‘God’ was bij hem een andere naam voor natuur(kundige wetten).  God was niet de schepper van de wereld, maar de wereld was een onderdeel van het goddelijke. Wonderen bestonden niet, maar waren verkeerd begrepen natuurverschijnselen, een gevolg van menselijke onwetendheid. De aanwezigheid van God werd niet bewezen door wonderen, maar door de orde in de natuur.

God had dus geen menselijke gedaante, God was ook niet ‘goed’ of ‘kwaad’. De Bijbelse profeten waren gewone mensen met erg veel verbeeldingskracht en zij spraken niet namens God. De Bijbel had geen goddelijke oorsprong, maar was een uitvinding van de menselijke fantasie en het Joodse volk was volgens hem niet uitverkoren. Spinoza zette zich ook steeds meer af tegen alle voorschriften, feestdagen en spijswetten. Het was dus logisch dat hij in botsing kwam met de Joodse gemeente. De mens was een extern aangestuurde machine, zonder vrije wil (de mens denkt dat hij een vrije wil heeft maar dat is een gevolg van onwetendheid). Het is van belang een leven te leiden gericht op de controle van de hartstochten. Zo`n leven leidt tot deugd en geluk. 

In zijn Tractatus theologico -politicus, anoniem gepubliceerd in 1670, beschreef hij dat de macht van de staat nooit aan een enkeling mocht worden toevertrouwd, want dat zou leiden tot despotisme. Hij pleitte voor een bestuur berustend op steun vanuit het volk.

 

Spinoza`s ideeën vormden zich door zijn studie, behalve van Descartes, ook van de ideeënleer van:

- Maimonides (1135 – 1204) die pleitte voor een streng rationeel geloof

- Averroes (1126 – 1198), die beweerde dat er geen schepping vanuit het niets mogelijk was en dat de ziel sterfelijk was.

- Joseph Solomon Delmedigo (1591 – 1655) die in Polen eerder de Sadduceese sekte van de Kareeërs had bezocht. Deze sekte loochende de autoriteit van de Talmoed en had een eigen tijdrekening. Delmedigo was een tijd prediker en rabbijn in Amsterdam en prees de studie van het Latijn aan.

- Pieter Cornelisz Plockhoy (van Zierikzee)(1625 – 1664/ 1670) die tegen hiërarchie en adel was, scheiding van kerk en staat bepleitte en één allesoverkoepelende kerkorganisatie, een 6- urige werkdag, weduwen- en wezenzorg en een democratische bestuursvorm.  Plockhoy werkte bij de uitwerking van deze laatste gedachte in de Nieuwe Wereld samen met Franciscus van den Enden (zie hieronder). Voor 1658 had hij al contact gezocht met O. Cromwell voor de oprichting van idealistische nederzettingen in Londen, Bristol en Ierland.

- de Italiaanse Renaissance (Cardano, Campanella), Copernicus, Kep(p)ler en Francis Bacon

 

De volgende personen waren ook belangrijke inspiratiebronnen voor Spinoza:

- Hugo de Groot (1583- 1645), die pleitte de soevereiniteit van de staat en het tolerant zijn tegenover alle religies

- Christiaan Huygens (1629 – 1695), die samen met Spinoza werkte op het gebied van de theoretische en praktische optica. Huygens ging echter uit van een volstrekt determinisme (6). Hij ging uiteindelijk naar Frankrijk, op verzoek van Colbert, om de Franse Académie des Sciences te stichten

- Heinrich Oldenburg (1618 – 1677) die theoloog,diplomaat en natuurwetenschapper was en uiteindelijk in Londen secretaris van de Royal Society of Sciences. Hij correspondeerde uitgebreid met Spinoza over natuurwetenschappelijke zaken. Zijn andere ideeën begreep hij echter niet. 

- Jan Swammerdam(1637 – 1680) die net als Hudde, Huygens en wellicht Spinoza zelf de microscoop verbeterde en de wetenschappelijke mogelijkheden bewees. Na 1673 wijdde Swammerdam zich alleen nog maar aan de godsdienst.

 

Hugo de Groot

Franciscus van den Enden

Johan de Witt

Cornelis de Witt

Collegianten Amsterdam

Christiaan Huygens

Johannes Hudde

Hugo de Groot

Van den Enden

Johan de Witt

Cornelis de Witt

   Collegianten in Amsterdam

Chr. Huygens

     Johannes Hudde

 

Hieronder volgt een opsomming (4) van belangrijke personen die hebben bijgedragen aan de verspreiding van de

ideeën van Spinoza in de volkstaal, dus voor een breed publiek (5). Gedeeltelijk hebben zij ook bijgedragen aan de ontwikkeling van zijn gedachten:

-Joannes Duijkerius (ca. 1661 – 1702)

-Pieter Balling (?…..1669?), lid van de Doopsgezinde Gemeente A`dam en ‘taalfilosoof’. Hij vertaalde de eerste publicatie van Spinoza vanuit het Latijn in het Nederlands. Zijn visie: leg je vooroordelen af, de waarheid zit niet opgesloten in woorden (predikantenwoorden of uitwendige godsdienstpraktijken), maar is ieders oorspronkelijk bezit. Iedereen heeft de waarheid in zich met het licht van zijn verstand. Als je het Licht volgt, krijg je een gelukzalige eindtoestand. Dat ‘Licht’ is de openbaring van het eeuwige en onveranderlijke in en door het verstand. Balling noemt dat (cf. Spinoza) ‘God’. 

-Franciscus van den Enden (1602-1674) (Affinius), die aanvankelijk Jezuïet was en later leider van de Latijnse school in Amsterdam waar Spinoza lessen volgde. Hij ontwierp een staatsinrichting  - met ‘volkssoevereiniteit’- voor de kolonie ‘Nieuw Nederland’. De staat moest aan iedereen in gelijke mate baat brengen en er moest vrijheid van spreken zijn. De burgers moesten bewapend zijn om hun land te kunnen verdedigen en de macht van kerken moet vernietigd worden. Godsdienstige ceremonies hebben geen waarde. Van den Enden verwierp de slavernij en pleitte voor georganiseerde solidariteit.

-Johannes Hudde (1628 – 1704) was burgemeester van A `dam en hield zich o.a. bezig met de waterdoorstroming van de grachten, maar was ook bewindhebber van de VOC en wiskundige. Hij hield zich bezig met het vereenvoudigen van vergelijkingen, maar ook met het vereenvoudigen van het werk van Descartes.

-Lodewijk Meyer (1629- 1681) was arts, latinist, vertaler en toneelschrijver. Hij gaf werk van Spinoza uit. Hij meende dat ‘natuurlijke kennis’ verkregen door wijsgerig onderzoek, belangrijker is dan de ‘openbaringskennis’ van de bijbel. Men moest kritisch, zuiver wetenschappelijk, via de rede -die een gave van God is- , omgaan met de bijbel. Hierdoor zouden alle grote geschillen tussen de christenen kunnen verdwijnen. Voor ons heil was de bijbel absoluut niet nodig.

-Adriaan Koerbagh (1632 – 1669) arts, jurist en een zeer radicaal filosoof, werd vanwege zijn opvattingen veroordeeld tot 10 jaar Rasphuis, alwaar hij vrij snel stierf. Zowel kerk als staat waren volgens hem onbetrouwbaar. Hij fulmineerde vooral tegen alle onbegrijpelijke woorden die theologen en juristen gebruikten om de bevolking te misleiden. De rede stond bij hem boven alles. De bijbel was mensenwerk, evenals de dogma`s van de drie-eenheid en de goddelijke natuur van Christus. Godsdienst is irrationeel en wordt in stand gehouden door bedrog en geweld. God was gelijk aan de natuur. Theologie moest dus natuurwetenschap zijn. De Republiek moest seculier zijn en een sterk gezag hebben, maar ook berusten op brede volkssteun.

-Johannes Bredenburg (1643 – 1691) was wijnkoper en handelaar te Rotterdam. Hij vond de natuur zelf voldoende bewijs voor het bestaan van God. Het verstand is de wegwijzer van de mens en het geloof moet door het verstand gesteund worden. De komst van Christus en de kennis van de christelijke religie zijn niet nodig voor de verlossing. Kerkelijke confessies zijn overbodig en iedereen heeft het recht op zijn eigen interpretatie van Gods woord. Hij schreef een weerlegging van Spinoza omdat hij hem te negatief vond aangaande bijbel en openbaring, maar hij volgde wel zijn opvattingen over natuur en rede. Bredenburg bleef, ondanks dat hij de kloof tussen geloof en rede onoverbrugbaar vond, toch geloven in het geopenbaarde woord van God.

-Jarig Jelles (ca. 1620 – 1683) was een Amsterdams koopman en zeer goede vriend van Spinoza. Hij was ook een mennonitische collegiant. Hij ging uit van een ‘spiritueel christendom’ dat bijbelse termen overdrachtelijk opvatte. Zijn theologie is eigenlijk kosmologie en antropologie met bijbelse termen: Gods zoon of Gods wijsheid is de kennis die God van zichzelf heeft. Door de kennis van de waarheid kan men niet van het geloof afvallen. Het menselijke gedrag is wel voorbeschikt, maar in het dagelijks leven denken de meeste mensen toch wel een vrije keuze te hebben. Door dit denken is men extra gemotiveerd het goede te doen! Predestinatie (het determinisme van de natuur) is bij hem geen verplicht geloofsartikel.

-Abraham Cuffeler/ Kuffeler (ca.1637 - 1694), net als Spinoza van Joodse afkomst en een van zijn grootste aanhangers, heeft diens ‘ relativiteit der inertie’ (= traagheid), d.w.z. er is een kracht nodig om een voorwerp een andere snelheid of richting te geven, voor iedereen verduidelijkt. Een dierlijk of menselijk lichaam heeft geen ingeboren bewegingsprincipe of aandrijvend vermogen. De menselijke wil heeft net als de rest van de wereld een bepaalde richting, maar is niet ‘indifferent’: wij willen –bij pijn- die zeker kwijtraken. Hij meende wel dat je ‘iets natuurlijkerwijs kunt weten en toch het tegendeel godsdienstig kunt geloven’.

-De verdienste van Petrus van Balen (1643 – 1690) is geweest dat hij Spinoza`s ideeën in eenvoudige woorden in de volkstaal heeft weergegeven ‘voor de geïnteresseerde leek’.

-Burchard de Volder (1643 – 1709), geboren in een mennonitische familie, studeerde geneeskunde, wiskunde en filosofie en introduceerde experimenten in natuurfilosofie. Hij botste met Leibniz vanwege diens ideeën over creationisme en finalisme. De Volder ging er van uit dat je niet alles kunt begrijpen, maar de rede zorgt dat je wel zuiver blijft denken en niet ten prooi valt aan mystificaties van de verbeelding.

 

Reeds eerder vermelde Loevesteiners of Staatsen (zie I B1a), zoals de familie de Witt, zijn niet openlijk Spinozist geweest, maar hebben zich in hun handelen zeker laten leiden door Spinoza`s gedachten (Ethica). Terwijl hij zelf tot de kleine burgerij behoorde, werden zijn ideeën zo de leidraad voor de regenten.

 

Conclusie:

Terwijl velen Spinoza benoemen als metafysicus of ‘systeembouwer’, wil Stewart hem liever zien als een politiek en moraal filosoof, die een metafysisch systeem heeft opgebouwd als middel tot uitdrukking en niet als doel op zichzelf. Terwijl velen en hijzelf ook vroeger hem een ‘rationalist’ noemden (d.w.z. kennis is hoofdzakelijk afkomstig van de zuivere rede in tegenstelling tot de zintuiglijke ervaring), geeft Stewart aan dat hij hem nu veel dichter bij het ‘radicaal empirisme’ vindt staan. Spinoza toonde namelijk aan dat al onze begrippen uit de ervaring stammen en gebruikte systematisch de ervaring om via experimenten zijn theorieën te bevestigen. Ook Wim Klever noemt hem een empirist: ‘Terwijl geschiedenisboeken en encyclopedieën vertellen dat Spinoza een rationalistische tegenpool van het Engelse empirisme is, is dat een volslagen onhoudbare traditie’.

 

 

HRR na 1648

engelse oorlogen

rampjaar 1672

glorious revolution

Het Heilige Roomse Rijk na 1648

 Engels-Nederlandse oorlogen

         Het Rampjaar 1672

The Glorious Revolution Willem & Mary 1688

 

C . Engeland:

1610

1620

1630

1640

1650

1660

1670

1680

1690

1700

Engeland

Karel I (1600- 1649)

         Koning: 1625- 1649

 

(voorganger: Jacobus I =

James VI van Schotland:

(1566 – 1625)

Karel II  1630 –  1649 en wederom 1660- koning                   - 1685                                                

               1651-  1658 interregnum puritein O. Cromwell (samen met Milton)

               1651: acte van Navigatie/ 1652 – 1654 1ste Engelse zee-oorlog

               1660 Restoration

               1665 – 1667 2de Engelse zee- oorlog

Karel II wilde gelijkberechting katholieken en protestanten, maar dat mocht niet van het parlement; hij sloot in 1670 het verdrag van Dover met Lodewijk XIV van Frankrijk om samen de Republiek aan te vallen. Karel beloofde hem katholiek te worden. 1672 aanval Republiek (Rampjaar)

Verschillende zee- oorlogen tegen de Republiek in wisselende coalities

Jacobus II (kath) koning tot 1688

 

Het parlement zocht een prot.

niet - absol. vorst:

Glorious Revolution 1688: Willem III (stadhouder-)koning

          tot  -1702 (zie Republiek)

 

Thomas Hobbes (1588 – 1679) komt in dit overzicht voor omdat Spinoza en Locke zich tegen zijn niet- democratische ideeën keerden.

Hobbes moest als koningsgezinde vluchten tijdens de Engelse Burgeroorlogperiode (1639 – 1651) naar Parijs. In deze periode schreef hij zijn belangrijkste politieke werken: ‘De Cive’ (over de burger) en ‘Leviathan’. Hij ontkende het bestaan van een niet- materiële werkelijkheid. Ook het menselijk leven was mechanisch en gedetermineerd en er was dus geen vrije wil. De mens had geen niet–lichamelijke ziel of geest.

Hobbes ging uit van een denkbeeldige natuurtoestand, waarin mensen handelen als machines, gedreven door aversie om te sterven en begeerte om te leven. Hierdoor vechten ze met elkaar en dienen alleen het eigenbelang (= ethisch egoïsme). Alleen als ze samenwerken ontkomen ze aan zelf- destructie en alleen via een sociaal contract, over te dragen aan een superieure macht –Leviathan (bij Hobbes de monarchie)- zullen ze gelijktijdig afstand doen van geweldsmiddelen.

Hij stelde dat wat men zich voorstelt, altijd eindig is. Daarom kunnen we ons geen voorstelling maken van God. Omdat hij niet geloofde aan de goddelijke voorzienigheid, kreeg hij het stempel van atheïst, maar hij probeerde het probleem op te lossen door te zeggen dat ‘wij Gods naam alleen maar gebruiken om hem te eren’. ‘Een soeverein moet gehoorzaamd worden, maar om in de hemel te komen, moet je wel geloven in Christus’. In latere tijd kon hij zijn werken alleen maar laten drukken in de Republiek.

 

Over John Locke (1632 – 1704) valt, heel kort, het volgende te zeggen: hij was van Puriteinse afkomst en studeerde medicijnen in Oxford aan het Wadham College, waar het program zich richtte op het bestuderen van de natuur in plaats van boeken. Hij vertrok in 1667 naar Londen, waar hij in dienst trad van Lord Ashley. Van 1665 – 1679 woonde Locke in Frankrijk waar hij Descartes bestudeerde. In 1681 vluchtte Lord Ashley, hoewel vrijgesproken van verraad, naar Holland, waarna Locke in 1683 ook heen trok. Hij sloot zich aan bij de Engelse politieke bannelingen die Willem III van Oranje- Nassau en Mary op de troon wilden brengen. Dit lukte uiteindelijk en mondde uit in de Glorious Revolution van 1688.

De positie van Locke is, zoals eerder gezegd, een andere dan tot nu toe meestal aan hem werd toegekend. Hij is niet meer de oorspronkelijke denker die aan de basis ligt van het de Amerikaanse en Franse Revolutie. In feite is hij ‘gewoon’ een Spinozist, die Spinoza weliswaar niet live heeft ontmoet, maar vanaf het begin wel kennis heeft gehad van zijn ideeën. Hij bezat ook veel van diens geschriften. Zijn ideeën over het menselijke verstand als ‘tabula rasa’ (en het vullen van het hoofd door ervaringen en indrukken = empirisme) en het feit dat het volk de vrijheid wel moet afstaan aan een regering, maar de soevereiniteit niet (constitutionele democratie), zijn dus geen oorspronkelijke opvattingen van hem, maar ontleend aan Spinoza. Het was voor Locke erg moeilijk om dat in die tijd toe te geven!

 

Naast Locke waren er andere belangrijke filosofen, zoals:

Isaac Newton (1643 – 1727) . Hij was o.a. natuurkundige, wiskundige, astronoom, theoloog en natuurfilosoof, en bewees dat voor ‘hemelse’ en ‘aardse’ verschijnselen dezelfde wetten golden.

en Robert Boyle (1627 – 1691) die een Iers scheikundige/ alchemist en filosoof was.  Hij vond dat elke natuurwetenschappelijke theorie gebaseerd moest zijn op experimenten.

 

 

D. ‘Duitsland’/ het Heilige Roomse Rijk(7):

 

1610

1620

1630

1640

1650

1660

1670

1680

1690

1700

‘Duitsland’

Rudolf II/

Matthias

Ferdinand II (huis Habsburg) keizer HRR (koning Hongarije, Bohemen en aartshertog Oostenrijk)

Ferdinand III keizer HRR

(koning Hongarije, Bohemen en aartshertog Oostenrijk)

Keizer Leopold I keizer HRR (+(koning Hongarije, Bohemen en aartshertog Oostenrijk); vocht o.a. tegen:

1.Frankrijk – Lodewijk XIV (Negenjarige oorlog (1688- 1697)

2.Ottomaanse rijk

3.Zweden

 

 

                            30 jarige oorlog

gelijkberechtiging katholieken, lutheranen en calvinisten

enorme versnippering van het rijk.

 

Gottfried Wilhelm Leibniz (1646- 1716) werkte o.a. in Parijs en Londen en later in Hannover. Hij bouwde qua ideeën verder op Descartes. In 1714 verscheen zijn ‘La Monadologie’ waarin hij stelde dat alles uit ontelbare eenheden of krachtpunten bestaat, ‘monaden’, die onafhankelijk van elkaar zijn. Deze, de individuele eigenschappen, bepalen verleden heden en toekomst van elk ding. God had van tevoren de hele orde (van de monaden) vastgelegd –waardoor er geen vrije wil was- en dus waren geloof en wetenschappelijk redeneren niet met elkaar in tegenspraak.

Over zijn verhouding tot Spinoza is enorm veel gediscussieerd. Stewart meent dat Leibniz door zijn contact met Spinoza in ieder geval goed over zichzelf is gaan nadenken. Hij noemt Leibniz` filosofie een reactieve vorm van moderniteit, omdat de geest weer een aparte plaats had gekregen, los van de materie.

 

Walther Ehrenfried von Tschirnhaus (1651 – 1708), natuurkundige, chemicus, wiskundige , vulkanoloog en filosoof, refereerde nooit aan de naam Spinoza. Net als Cuffeler (zie de Republiek) is hij echter bezig geweest Spinoza`s ideeën na diens dood verder toe te lichten.

 

III.De houding van het Vaticaan (8):

1610

1620

1630

1640

1650

1660

1670

1680

1690

1700

 

 Paulus V

 

    Urbanus    VIII

Innocent.X

Alexand. VII

CL.IX

Cl.X

Innocentius XI

 

Innocentius XII

 

De kwaliteit van de pausen in de 17de eeuw varieerde nogal: sommige pausen waren bekwaam en deden pogingen de kerk enigszins te reformeren, maar andere waren ronduit zwak. Van hen waren dan ook weinig acties te verwachten jegens ‘afvalligen/ atheïsten’. Door hun eigen houding gaven zij genoeg voeding aan gedachtes dat de kerk een  instelling was die vooral voor zichzelf bezig was, want bijna allemaal leden de pausen aan de ziekte van het nepotisme (= vriendjespolitiek/ het verrijken van de pauselijke familie met kerkelijke rijkdommen). Verder moesten zij in deze eeuw vol strijd(en strijdige belangen) behoedzaam laveren tussen de grote vorsten van Europa en het was lang niet altijd zo dat zij de kant van de katholieke vorsten kozen.

Paus Urbanus VIII (1623 – 1644) probeerde tijdens de 30 jarige oorlog vooral een soort machtsevenwicht in Europa te bereiken. Hij verbeterde op kerkelijk gebied het missaal en het brevier en regelde het proces van heiligverklaring. Het boek ‘Augustinus’ van Jansenius werd door hem veroordeeld. Hij was een groot beschermer van de kunsten, maar ook een enorme nepotist.

Na de dood van paus Innocentius X zocht men een paus met intellectuele diepgang en het vermogen de vriendjespolitiek te bestrijden. Het werd Alexander VII die wel briljante gedachtes had en zich enorm heeft ingespannen voor de herstructurering van de stad Rome, maar die toch niet kon loskomen van de nepotisme- kwaal.

De paus die het meest heeft zijn best heeft gedaan het aanzien van de katholieke kerk in de 17de eeuw te verbeteren, was Innocentius XI. Tijdens zijn pausschap (pontificaat) van 1676 – 1689, bestreed hij inderdaad het nepotisme en streefde naar uiterste soberheid. Hij probeerde theaters en zedeloze kleding te verbieden.

Omdat hij bang was dat Wenen zou vallen voor de oprukkende Turken, heeft hij zich zeer beijverd Duitse vorsten en de Poolse koning zo ver te krijgen dat zij tegen hen vochten. Innocentius verstrekte daartoe ook grote sommen geld. Hij lag voortdurend overhoop met Lodewijk XIV, die steeds meer macht over de kerk in Frankrijk probeerde te krijgen. Lodewijk ging zich, om de paus te behagen, zeer ‘katholiek’ gedragen en schafte het Edict van Nantes af. Innocentius keurde echter de nu ontstane vervolgingen van de Hugenoten af.

De pogingen van Jacobus II om in Engeland het katholicisme weer ingevoerd te krijgen, vonden ook geen genade in zijn ogen en de paus steunde hem dan ook niet tijdens de Glorious Revolution.

Innocentius XII (paus van 1691 – 1700), slaagde er uiteindelijk in elke toekomstige paus te verbieden zijn familie te verrijken met kerkelijke diensten. Hij koos uiteindelijk de kant van de Fransen, waardoor de beperkingen opgelegd aan de kerk in Frankrijk werden opgeheven, maar waardoor zijn relatie met keizer Leopold (zie Duitsland/ Heilige Roomse Rijk) verslechterde.

 

Noten:

(0)Wim Klever in John Locke, Vermomde en miskende Spinozist. De nieuwe plaats van Locke heeft veel gevolgen voor ‘zijn’ herwaardering als grondlegger van de ideeën van de Amerikaanse en Franse revolutie. Matthew Stewart publiceert, uitgaande van deze theorie, binnenkort een nieuw boek: The heterodox sources of the American Revolution

(1)tussen de verschillende filosofen verschillen de standpunten over diverse thema`s enorm. In het bestek van dit artikel is het niet mogelijk deze verschillende standpunten op een afdoende wijze weer te geven. De bedoeling is vooral een grote lijn te schetsen.

(2a)bij deze bespreking wordt er van uit gegaan dat men al op de hoogte is van de belangrijkste kenmerken van elke stroming. In 1796 werden Katholieken, Doopsgezinden en Joden volledig gelijkgesteld aan de calvinisten.

(2b)zie het artikel van Vuijsje ‘Voettocht in het spoor van de Waldenzen’ dat ook digitaal te raadplegen is.

(3)er waren in de Republiek nog heel veel meer groeperingen, zoals de Familisten. Een complete opsomming hiervan maakt het artikel onleesbaar.

(4) Het boek van Klever noemt deze  namen van personen in de periode van 1650 tot 1700 die óf invloed hebben uitgeoefend op de ideeën van Spinoza, óf zijn ideeën nader hebben uitgewerkt of toegankelijker hebben gemaakt voor een groter publiek.

(5) Hij schreef al eerder Het leven van Philopater -1691- en Vervolg van `t leven van Philopater -1697- dat anoniem verscheen bij de Amsterdamse uitgever Aart Wolsgryn die er acht jaar gevangenisstraf voor kreeg, 25 jaar verbanning, een enorme geldboete en confiscatie van zijn voorraad.

(6) Huygens en Swammerdam zijn maar enige voorbeelden van geleerden uit de 17de eeuw uit de omgeving van Spinoza.

(7) Duitsland bestond niet als begrip. De aartshertog van Oostenrijk was keizer van het Heilige Roomse Rijk. De keurvorsten kozen hem officieel.

Na 1700 kwam Pruisen op als belangrijke staat. In dit artikel wordt niet de situatie in de verschillende Duitse vorstendommen besproken.

(8)Zie ook mijn artikelen over de Barberini, Pamphili en de Ottoboni en het artikel over Christina van Zweden

 

 

Bronnen:

Gedrukte literatuur:

Wim Klever, Mannen rond Spinoza (1650-1700), Hilversum 1997

Wim Klever, John Locke, Vermomde en miskende Spinozist, (in eigen beheer), 2008-2010

Steven Nadler, Spinoza (vertaling uit het Engels), uitgeverij Atlas, A`dam / Antwerpen 2001

Pierre-François Moreau, Spinoza en het spinozisme, Een inleiding (vertaling uit het Frans), Budel 2004

Matthew Stewart, De ketter en de hoveling, Spinoza en Leibniz en het lot van God in de moderne wereld(vertaling uit het Engels,  Meulenhoff, A`dam 2008

B. Magee, Het verhaal van de filosofie,(vertaald uit het Engels) Spectrum, 2001

Theun de Vries, Spinoza biografie, Amsterdam 1991 (4de druk)

Henry Méchoulan, Amsterdam ten tijde van Spinoza, Geld & vrijheid (vertaling uit het Frans), Amsterdam 1992

Feniks. Overzicht van de Geschiedenis, Geschiedenis voor de bovenbouw VWO , ThiemeMeulenhoff, Amersfoort 2012

De Bosatlas van de Geschiedeniscanon, Noordhoff, Groningen 2008

Bosatlas van de Wereldgeschiedenis, Wolters-Noordhoff, Groningen 1983

 

Websites:

Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme (www.historici.nl)

en diverse Wikipedia sites

Herman Vuijsje , Voettocht in het spoor van de Waldenzen : http:// www.hermanvuijsje.nl/artikelen/artikel_198.html ( 6 oktober 2012)                                      

 

 

 

Terug naar de pagina Historie                                                                           van Charlotte Anna Hansson