|
MUZIEK
AAN HET HOF VAN FRANÇOIS (FRANS) I VAN VALOIS (1494 - 1515 – 1547)
HET FRANSE CHANSON, CHANSONS NOUVELLES : HET
‘CHANSON PARISIENNE’
Frans
I geboren
in Cognac in 1494 en in 1515 in Reims tot koning van Frankrijk gekroond, was de enige zoon van Karel van Angoulême en Louise van Savoye. Hij behoorde
tot de linie Valois- Angoulême van
het Huis Valois.
Frans regeerde tot zijn dood in 1547.
Hij
huwde in 1514 Claude van Frankrijk (1499 – 1524), dochter van koning
Lodewijk XII en Anna van Bretagne. Claude kreeg in die tien huwelijksjaren
7 kinderen, waaronder Hendrik II, die in 1547 Frans opvolgde. In 1530
trouwde Frans opnieuw, nu met Eleonora van Oostenrijk
(Eleonora van Castilië:1498 – 1558), de oudste dochter van Filips de Schone
en Johanna de Waanzinnige en de oudste zus van keizer Karel V. Dit huwelijk
bleef kinderloos.
In het kader van ons onderwerp is de buitenlandse
politiek van Frans I wat minder relevant en wordt derhalve slechts zeer
kort besproken:
Frans vocht zeer regelmatig in Noord- Italië, vooral
tegen Karel V van Habsburg, waarbij hij ook eens gevangen werd genomen.
Meestal hadden deze gevechten weinig resultaat, behalve dan dat ze leidden
tot enorme verliezen aan geld en manschappen. Tijdens ‘gevechtspauzes’
stuurde Frans mensen naar de Nieuwe Wereld om daar ook een plek te
veroveren tussen de andere kolonisatoren.
|
|

|

|
|
|
|
Frankrijk 15de
eeuw (Putzger
Weltatlas)
|
Frankrijk 16de
eeuw (Putzger Weltatlas)
|
|
In zijn binnenlandse politiek hield hij zich bezig
met de centralisatie van de staat en hij slaagde er onder meer Auvergne aan
zijn gezag te onderwerpen. In 1539 werd het Frans de officiële
bestuurstaal.
Aanvankelijk was Frans tolerant tegenover de reformatie
en probeerde zelfs de eenheid in het christendom te herstellen, maar na
1534 veranderde zijn houding (1). Dankzij het Concordaat van Bologna (1516)
dat hij sloot met paus Leo X, kreeg Frans de macht om zelf kandidaten voor
belangrijke functies in de katholieke kerk te benoemen.
Frans`
voorgangers, Karel VIII en Lodewijk XII, hadden ook zeer veel gevochten in Italië
en maakten daar de ontwikkeling van de Italiaanse
renaissance mee.
Enige van zijn (Frans) leraren beïnvloedden hem met de (in Frankrijk nieuwe) ideeën van het
humanisme. Direct na 1515 gaf hij
opdracht tot de bouw van het kasteel van Chambord en
hij betrok Leonardo da Vinci bij het ontwerp. Rond 1530 nam hij
twee Italiaanse kunstenaars in dienst, die in het Kasteel van Fontainebleau werkten aan de decoratie, de
fresco’s de
gipspleisterornamenten die de wandtapijten moesten
vervangen. Frans bracht er vervolgens een deel van zijn kunstcollectie
onder, inclusief de Mona Lisa.
In
1539 gaf hij ook de aanzet tot
het – onderzoeksinstituut - Collège Royal,
het latere Collège de France. Hij
stimuleerde ook de vertaling van klassieke werken in de Franse taal.
De ontwikkeling van een nationale
stijl (qua
tekst én muziek)
I.De Franco- Vlaamse School (Vlaamse
Polyfonie of Nederlandse School) en het einde ervan
II.De betekenis van hofdichter Clément
Marot
III.De Franse muziekuitgeverijen: Pierre Attaingnant
e.a.
IV.Het nieuwe chanson: in hoeverre was er invloed van de Italiaanse frottola`s en canti carnascialeschi ?
V.De belangrijkste componisten van de
nieuwe chansonstijl en waar hun werk te vinden
VI.Duetten uit deze tijd. Voor deze duetten in
oude en moderne notatie, volg deze link
I.De Franco- Vlaamse school en het einde
ervan
In de Renaissance werd de polyfone Franco-
Vlaamse school zeer belangrijk (2). In de religieuze muziek waren motet en
mis de belangrijkste genres. Aanvankelijk was de polyfonie 4-stemmig met de
cantus firmus in de tenor, maar werd later
5- of 6-stemmig met de cantus firmus verspreid over alle stemmen. Er werd steeds
meer gebruik gemaakt van imitatie, waardoor de polyfonie steeds
sterker werd en de helderheid verloor. Het Concilie van Trente
(1545- 1563) maakte een einde aan het gebruik van polyfonie in de kerk.
II.De betekenis van hofdichter Clément
Marot
Frans streefde het renaissancistische
ideaal van de universele mecenas na. Lodewijk XII had in 1501 al Josquin des Prez
(1450 -1521) gedurende enige jaren aan de Chapelle Royale weten te
verbinden (3). Antoine de Févin (c.
1470 – 1511/12), afkomstig uit Arras en waarschijnlijk priester geworden in
de jaren 1490, werkte daar ook rond 1507 als zanger en componist (4).
Frans` moeder, Louise van Savoye, bracht hem de liefde voor de kunsten bij en
zijn zus Margaretha van Navarra (1492-1549), die zelf ook poëzie schreef,
nam in 1518 de protestantsgezinde Clément Marot (1496-1544) in
dienst. In 1527 werd deze ‘valet de chambre du roi’ (hofdichter) van Frans. Marot was
zeer populair vanwege zijn ‘chansons’ (meestal liefdesliederen, zonder te
veel passie). Veel van zijn wereldse chansons werden in zijn tijd al
geregeld van christelijke teksten voorzien, zodat ook de hugenoten ze
konden zingen, zoals bijv. Tant que vivray &c (5). Marot kan
beschouwd worden als de dichter die de Middeleeuwen afsloot en de nieuwe
tijd inluidde. Door de nieuwe generatie dichters die opkwam midden 16de
eeuw (Pléiade: Ronsard, zie IV B.) werd hij als oppervlakkige
rederijker beschouwd, maar bijna alle gerenommeerde componisten van zijn tijd hebben
chansons van hem getoonzet: o.a. Clément Janequin,
Pierre Regnault Sandrin,
Claudin de Sermisy,
Pierre Certon en Claude Le Jeune
(en nog heel veel anderen), tot in de 17de en 18de
eeuw. De 19de eeuw verkoos Ronsard en
de Pléiade, maar in de 20ste eeuw werden Marots
gedichten voor stem en piano gezet door Ravel, Warlock en Martelli e.a.(6).
III. De Franse muziekuitgeverijen
Uitermate
belangrijk voor de verspreiding van de chansons werden de uitgeverijen van
A.Pierre Attaingnant (c. 1494 – 1551/2) in Parijs. Attaingnant was vermoedelijk de eerste die in 1528
beweeglijke lettervormen gebruikte, waardoor in één keer een muziekvel
met notenbalk, noten en tekst kon worden gedrukt, wat tijd- en geld
bespaarde. Hij kreeg in 1538 een
koninklijk, herhaaldelijk verlengd exclusief
recht op het drukken van muziekboeken en werd hij
uiteindelijk benoemd tot ‘imprimeur et libraire du Roy
en musique’. Attaingnant
bracht tussen 1528 en 1552 meer dan vijftig chansonbundels uit, met zo`n
1500 composities.
Voor meer info over hem en het
drukproces, zie: https://walterbitner.com/2017/01/13/music-printer-to-the-king-pierre-attaingnant/
B. Jacques Moderne (1495 - 1562) in Lyon. Moderne
nam het drukprocedé van Pierre Attaignant over.
C. Le
Roy & Ballard in Parijs. Deze
firma kreeg in 1551 een koninklijk privilege van Hendrik II om
muziek te drukken (beweeglijk systeem, zie A.). In
1553 nam het Attaignants
titel van ‘Imprimeur du Roy en musique’ over. Na
1570 had Roy & Ballard een monopolie positie.
D.
Pierre Phalèse (Petrus Phalesius; ca. 1510 - 1573) in
Leuven (en later ook Antwerpen).
E. Tylman Susato (c.1515 – c.
1570) in Antwerpen.
IV.
Het nieuwe chanson: in hoeverre was er invloed
van de Italiaanse frottola`s en canti carnascialeschi ?
Josquin des Prez
was in de Franco- Vlaamse school ‘progressief’, want hij verliet de ‘formes fixes’’.
Alexander Agricola, Loyset Compère,
Pierre de la Rue en Antoine de Longueval bijvoorbeeld waren hier wat voorzichtiger
mee, terwijl Obrecht, Isaac, Mouton Févin, Ninot le Petit en Antoine Brumel
deze formes geheel afzwoeren. De vroegste
druk met stukken hiervan was de (Harmonice Musices) Odhecaton van Petrucci (1501)
Volgens
een aantal musicologen hebben frottola`s
(en canti carnascialeschi) (7) invloed gehad op het ontstaan
van een nieuwe stijl van de chansons. De New Grove (Chanson) benadrukt echter dat deze inderdaad
oppervlakkig op elkaar lijken vanwege de akkoordstructuren, maar dat er
geen direct verband is omdat ze op heel verschillende manieren zijn
ontstaan. Ik durf daar – momenteel - geen uitspraak over te doen.
A.De
‘nieuwe chansons’ in de eerste bundels van Attaingnant
(III.A) zijn ‘licht polyfoon’, en hebben een lichtvoetige, snelle, sterk
ritmische vierstemmige, syllabische zetting. Er zijn veel herhaalde noten,
vooral binaire metra, snel declamerende passages en de structuur is
homofoon: een meerstemmigheid waarbij de stemmen grotendeels
tegelijkertijd (homoritmisch) bewegen. De chansons
zijn meer vanuit akkoorden
gecomponeerd. De
melodie ligt meestal in de bovenste stem en het schema is duidelijk
herkenbaar: AABC of ABCA. Het eind van elke regel wordt benadrukt met
relatief lange tonen, cadensen en/of toonherhalingen. Het beginritme is
vaak lang- kort- kort, meestal met toonherhaling. In feite is het
contrapunt gebaseerd op een duet tussen sopraan en tenor, waar een
harmonische bas en complementaire alt zijn toegevoegd. De tekstuitbeelding
heeft zulke toonschilderingen dat men wel van programmatische chanson
spreekt en liefdesscènes zijn zeer geliefde
onderwerpen.
Dit Parijse
chanson werd vanaf c. 1530 het belangrijkste chanson- genre, met
componisten als – zie V - Clément
Janequin, Claudin de Sermisy,,
Pierre Certon, Pierre Passereau
en Pierre Sandrin.
B.In de tweede helft van
de 16de eeuw kwam in Frankrijk als variant van het chanson de vaudeville
(voix de ville,
stem van de stad) op, volkse strofische liederen met eenvoudige zetting,
die leidden tot de airs de cour (1570- 1650). Het air de cour
werd aan het Franse hof gezongen en later ook
in sociëteiten voor de burgerij. Het kenmerkt zich door
ingetogen, seculiere liederen op poëtische teksten,
meestal meerstemmig uitgevoerd in een homofone stijl met
een verticale structuur, waarbij
alle stemmen gezamenlijk in akkoorden bewegen en de verstaanbaarheid
van de liedtekst centraal staat. Pas veel later werden de
liederen gecombineerd met instrumentale muziek. Componisten hiervan waren o.a. Adrian Le Roy (ca.1520–1598), Nicolas de La Grotte (1530–ca.1600), Charles
Tessier (ca.1550–na 1604), en Jacques Mauduit (1557–1627).
Daarnaast
bestonden er de chansons van de Pleíade-
dichters (8): zeven jonge dichters hadden zich tot doel hadden
gesteld de poëzie uit
de klassieke oudheid nieuw
leven in te blazen en zo mogelijk te verbeteren. Het taalgebruik moest niet langer zo
elegant mogelijk zijn (zoals bij Marot), maar vooral de boodschap van
het humanisme uitdragen. Hun Vers mésurés zijn poëtische verzen, ontwikkeld door m.n.
Jean-Antoine de Baïf en Pierre de Ronsard (Académie de Poésie
et de Musique) en specifiek geschreven om op
muziek te worden gezet (noot). Ze waren gebaseerd op de kwantitatieve
metriek van de klassieke oudheid (lange en korte lettergrepen) in plaats
van op rijm of lettergreeptelling. De duur van de muzieknoten weerspiegelde
de lengte van de lettergrepen (lange lettergrepen krijgen langere noten,
korte lettergrepen kortere). De chansons waren vaak polyfoon en homoritmisch. Het doel was de eenheid tussen dichtkunst
en muziek na te bootsen. De air de cour nam principes van deze stijl
over, maar gebruikte wel rijmende verzen.
Claude Le Jeune (1528
– 1600). componeerde veelal in deze stijl, net als Guillaume Costeley (1530/1 – 1606).
De
chansons die in Antwerpen werden uitgegeven waren meestal van – polyfone
- Frans- Vlaamse componisten, als Nicolas Gombert
(c.1495 – c.1560), Clemens non Papa (c.1510 -1555/6), Pierre de Manchicourt (c.1510 – 1564) en Thomas Crecquillon (c.1505 -c.1557). Deze chansons waren meer
contrapuntisch dan de Parijse en hadden een vollere textuur, meer
melismatische lijnen en een minder geprononceerd ritme.
V.De belangrijkste componisten van de nieuwe
chansonstijl en waar hun werk te vinden
Over de jeugd van Clément Janequin (1484 – 1558) is niet veel bekend (9). Vanaf 1505 was hij in Bordeaux en werkte hij als klerk en vanaf 1523 bij
de bisschop van Bordeaux. Inmiddels was hij tot priester gewijd. In 1534
werd hij kapelmeester van de kathedraal van Angers. In 1549 kwam hij naar Parijs en werkte er in
dienst van Hertog Jean de Guise. Vanaf 1555 was
hij lid van de hofkapel van koning Hendrik II en in 1557 werd hij ‘compositeur de musique de la chapelle du Roy’ genoemd. In 1558 verscheen van hem een bundel met
vierstemmige toonzettingen van 82 van de 150 Geneefse psalmen,
psalmvertalingen van Clément Marot. Clément J. was tijdens zijn
leven al beroemd, vanwege
zijn – vaak lange – programmatische chansons vol geluidsnabootsingen
(vogelgezang, de jacht, de straatgeluiden van Parijs en de oorlog) en de
wat kortere, meer verfijnde chansons in de stijl van Claudin
de Sermisy op teksten van o.a. Marot
(en verder Mellin de Saint- Gelais,
Frans I en Ronsard), tezamen ruim 250.
Onduidelijk
is – voor mij – of Clément Janequin een leerling
van Josquin des Prez is
geweest, zoals enige sites beweren, met Pierre de Ronsard
als bron (10). In de New Grove wordt hier niets over gezegd.
Pierre Regnault Sandrin (c. 1490
– na 1561), werd waarschijnlijk niet ver van Parijs geboren. Hij was in
1506 koorknaap aan het Franse koninklijke hof en in 1517 zanger van Louise
van Savoye. Van 1517 tot 1539 ontbreekt zijn naam
in de hof verslagen (en was toen vermoedelijk acteur), maar in 1539 zong
hij in de Chapelle Royale en in 1547 wordt hij genoemd als ‘compositeur de musique de la chapelle du
Roy’ (zie ook Janequin en Certon)
genoemd. Hij werd een van de meest bekende lied componisten, samen met Claudin de Sermisy. In stijl
lijkt hij ook op Claudin. Later ging Sandrin nog in Ferrara werken. Zijn 4-stemmige Doulce
memoire, in
1538 gepubliceerd - op tekst van Clément Marot, maar soms
toegeschreven aan Frans I - werd een van de meest populaire stukken van de
16de eeuw. In totaal schreef hij 50 – alleen wereldlijke,
vierstemmige - chansons en 1 madrigaal (11).
Claudin de Sermisy (c. 1495 – 1562), rond 1508 zanger in de Sainte-
Chapelle, werd in dat jaar door Lodewijk XII toegevoegd aan de Chapelle
Royal. Samen met Frans I ging hij in 1515 naar Italië. Hij was ook aanwezig bij het Champ du drap d'or in
1520, waar Frans en Hendrik VIII van Engeland elkaar ontmoetten en waar de
musici van beide vorstenhoven met elkaar musiceerden. Vanaf 1530 was hij sous-maistre van het koor van
de Sainte-Chapelle. In 1533 werd
hij kanunnik en in 1547 kapelmeester. Hij schreef
drie bundels motetten, elf missen en één passie en ruim 160 (wereldlijke)
chansons, heel vaak op teksten van Marot. De onderwerpen zijn onbeantwoorde liefde, het
genot van de drank, epigrammatische en scabreuze teksten (12). Voor gratis
partituren voor stem, waaronder naast veel 3- en 4- stemmige stukken, ook
enige duetten, zie noot 13.
Pierre Certon (c. 1515 – 1572) (10) zong circa 1530 in
de St. Chapelle in Parijs. Hij was
bevriend met Claudin de Sermisy. Pierre werd in 1536 koormeester, in 1548
kapelaan en 1560 kanunnik in Melun. In 1567 wordt
hij genoemd als ‘compositeur de musique de la chapelle du
Roy’. Certon componeerde, naast een aantal
4-stemmige missen en 4, 5 en 6-stemmige motetten, meer dan 300 wereldlijke
chansons, waaronder ook 2- en 3- stemmige, opgenomen in ‘Le parangon des chansons’, boek 4 (van 10). Een paar
duetten zijn uitgewerkt voor AT (14).
Van Pierre Passereau (1490/1495?? / 1509 – 1547) (15). is niet
zo heel veel bekend. Hij zou priester in Parijs geweest zijn en zong in
1509 als tenor in de kapel van de Hertog van Angoulême (later Frans I). Hij
componeerde bijna uitsluitend ‘lichtvoetige’, ‘rustieke’ chansons, met
snelle declamatie, akkoordfragmenten en soms afgewisseld door polyfonie,
met onomatopeeën, dubbelzinnigheden en veel obsceniteit. Zijn Il est bel et bon
heeft hij misschien in navolging van Janequin
geschreven. Men heeft Passereau vaak als een
mindere componist gezien, maar Attaingnant heeft
aan hem en Janequin
samen een heel boek gewijd!
Claude
Le Jeune (1528 –
1600) (16) was de laatste Franse componist die tot de hugenoten behoorde. Hij schreef veel religieuze
muziek (347 psalmen) maar is weinig bekend. Claude was in dienst van
verschillende hervormingsgezinde Seigneurs, aan wie hij ook zijn composities opdroeg. Hij experimenteerde met de musique mesurée à l'Antique en schreef
143 airs in deze stijl, waaronder Le Printans/ Le Printemps (1603). Toen in 1598 de voormalige protestant Hendrik IV van
Frankrijk koning werd, werd hij diens hof
componist. De meeste composities van Lejeune zijn postuum uitgegeven.
Waar kun je hun werken vinden?
Op https://imslp.org/index.php?title=Category:Chansons&transclude=Template:Catintro
zijn heel veel (4-stemmige) chansons te vinden uit de renaissance. Via CPDL
voicing
zijn deze ook in andere samenstellingen vindbaar. Zie verder ook VI.
B. Daniel van Gilst die ook moderne transcripties
heeft verzorgd van 3, 4 of 5 stemmige chansons
Zie https://shs.hal.science/tel-02299475/file/catalogue%20septembre%202015_7.pdf
voor achtergronden, versies en vermeldingen in (dicht)bundels uit
die tijd.
VI. Voor uitgaves van vocale duetten uit deze tijd volg deze link
Aan deze pagina is het
laatst gewerkt op 28 mei 2026
|