|
FRANCIS
POULENC (1899 – 1963)
Over Francis
Jean Marcel Poulenc weten we veel, vooral door
het grote aantal brieven dat hij zelf schreef. De gegevens hieruit zijn
verwerkt in diverse recentere ‘standaardwerken’, zoals het boek van Carl B.
Schmidt, Entrancing Muse, A Documented Biography of
Francis Poulenc. Er bestaat ook een prettig
leesbaar Nederlandstalig boek over hem van Erik Fokke, Francis Poulenc, Monnik en kwajongen.
Het is goed te
weten dat vlak na Poulencs dood de meeste
schrijvers zijn seksuele leven liever doodzwegen: Hélène de Wendel
verwijderde bijvoorbeeld in een selectie van zijn brieven, in 1967
verschenen, elke vermelding omtrent zijn intieme relaties. Boeken uit deze
periode kunnen dus een behoorlijk vertekend beeld geven.
Onderstaand
verhaal is een compilatie van gegevens uit de boeken van Fokke, Schmidt en
Buckland:
I.
Biografie:
II.
Poulenc en de Franse
liedkunst
III.
Overzicht van Poulencs
vocale muziek: solo muziek voor mezzo/ alt- stem en duet- muziek (SM/ SA)
I.Biografie:
|
1900
|
1910
|
1920
|
1930
|
1940
|
1950
|
1960
|
|
|
|
WO I
|
|
|
|
WO II
|
|
|
|
|
Poulenc:
|
Groupe des Six – ‘jeugdwerken’
|
zeer vruchtbare ‘rijpe’ periode
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Poulenc werd in 1899
te Parijs geboren. Zijn vader, de grootindustrieel Émile
Poulenc (1855-1917) en een van de stichters van
het farmaciebedrijf Rhône-Poulenc (1), kwam van het
platteland, was vroom katholiek maar niet dogmatisch en hield van de muziek
van Beethoven, Berlioz en César Franck. Zijn moeder, Jenny Royer (1864-1915), een echte Parisienne
en ‘lichtvoetig van aard’, gaf hem op vierjarige leeftijd al pianoles. Van
groot belang voor hem was ook zijn oom –de broer van zijn moeder-, Marcel Royer ( 1862- 1945), die ‘Oom
Papoum’(2) werd genoemd, een groot kunst- en
operaliefhebber, die urenlang vertelde over zijn theaterbezoeken.
Op zijn
achtste kreeg Poulenc pianoles van Cécile Boutet de Monvel en hij
ontdekte in die tijd ook de muziek van Debussy,
die voor hem, na Mozart, de meest
geliefde componist werd.
Toen Parijs in
de winter van 1910- 1911 overstroomde, verhuisde het gezin tijdelijk naar
een huis in het bos van Fontainebleau. Daar kocht
hij de bladmuziek van Schuberts Winterreise: het leven in de natuur en de beelden uit
de Winterreise met de muzikale vertolking ervan,
beschreef Poulenc als beslissend in zijn leven.
Het bestuderen van Schubert heeft niet veel directe invloed op zijn stijl
gehad hoewel zijn techniek er door verbeterde, maar bij beide componisten
is het nauw verweven samenspel tussen stem en piano en de voorliefde van
steeds moduleren tussen majeur- en mineurtoonsoorten opvallend.
Hierna
ontdekte Poulenc het werk van Stravinsky: Petrouchka
en Le Sacre du Printemps
-in 1914. Geïnspireerd door deze muziek deed hij in 1914 en 1916 piano-
compositiepogingen, maar deze werken
vernietigde hij later zelf. Hij ontmoette in 1918 Stravinsky zelf, waarna
deze er voor zorgde dat zijn werk voortaan in Engeland werd uitgegeven. Hun
vriendschap was blijvend, ondanks dat Stravinsky in de jaren vijftig
‘atonaal’ ging experimenteren, waar Poulenc niets
mee had.
Toen hij 15 à
16 jaar oud was, wilde hij –gesteund door zijn moeder- piano en compositie
studeren aan het conservatorium in Parijs, maar zijn vader vond dat hij
eerst zijn middelbare school moest afmaken. Wel kreeg hij privé solfège van
de Italiaanse cellist Muccoli en harmonie van een
bevriende organist, en het allerbelangrijkste: pianoles van de
Spanjaard Ricardo Viñes, een vriend
van Claude Debussy en Maurice Ravel.
1917 was een
beslissend jaar voor Poulenc toen Viñes hem voorstelde aan de dadaïst Erik
Satie, die aanvankelijk vreesde dat Poulenc
vooral een verwend jongetje was, maar hem na de ontmoeting snel
accepteerde. Veel van hun beider nieuwe composities werden uitgevoerd
tijdens gezamenlijke concerten. Saties lied ‘La Statue
de bronze’ maakte veel indruk op Poulenc en dat is te zien in Le Bestiaire en Cocardes. Poulencs
stijlkenmerken uit deze periode zijn: kleine composities, zonder groot
orkest met eenvoudige begeleiding en herhalende akkoorden, ‘badinerend’,
nauwelijks doorwerkingen, maar wel veel herhalingen en ostinati.
Via Satie
leerde hij ook vele andere componisten kennen die in die tijd bijeenkwamen
in de Salle Huyghens.
Daar exposeerden ook jonge, in Parijs werkzame kunstenaars als Picasso, Braque, Gris en Modigliani. Satie noemde de jonge componisten ‘Les
Nouveaux Jeunes’. Hun muziek op de ‘Lyre et Palette’-concerten was ‘lichtvoetig, melodieus,
gemakkelijk en humoristisch’. De Franse muziekcriticus Henri Collet, die vrij willekeurig zes componistennamen
uitkoos, noemde hen de ‘Groupe des Six’ (3). De groep bestond naast Poulenc uit: Georges
Auric, Louis Durey, Arthur
Honegger, Darius Milhaud en Germaine
Tailleferre.
Dezen
verzetten zich tegen de zware romantiek en de invloed
van Richard Wagner, maar ook tegen Franse componisten als Claude
Debussy vanwege zijn ‘impressionistische mist’, hoewel Debussy voor Poulenc steeds belangrijk bleef. Jean Cocteau die pleitte voor een
radicale vermenging van de kunst met een grote K en het moderne leven, en
een huwelijk tussen de ‘klassieke’ en de ‘populaire’ muziek, werd de
spreekbuis van de Groupe. Hij nam Poulenc mee
naar tentoonstellingen, musea, concerten en naar de film en introduceerde
hem bij Graaf Etienne de Beaumont en zijn vrouw die hem regelmatig
opdrachten zouden geven.
De
mezzosopraan Jane Bathori (oorspr.
Jeanne- Marie Berthie; 1877-1970) organiseerde
voor de Groupe- leden
regelmatig uitvoeringen in het Théâtre du
Vieux- Colombier, waaraan zij zelf deelnam. Wij
zullen haar ook tegenkomen in de biografie van Darius Milhaud.
De sopraan Suzanne Peignot (oorspr. Rivière) zong
eveneens vanaf 1917 premières van hen en dus ook van Poulencs
Bestiaires en ze bleef bevriend met Poulenc tot het eind van zijn leven.
Ondanks alle
aandacht die de Groupe kreeg, ook via bijdragen aan het tijdschrift Le Coq, bestond ze niet lang: Louis Durey
trok zich in 1921 al terug, verhuisde naar Saint- Tropez
en wijdde zich voortaan aan het communisme. Tailleferre
trok zich na 1921 terug, omdat zij het niet eens was met de manier waarop
Debussy en het impressionisme werden bespot. Honegger,
die Satie niet erg interessant vond en Cocteau te
veel een ‘beeldenstormer’, ging steeds meer zijn eigen weg: hij hield zich
een tijdlang bezig met religieuze muziek en kon eigenlijk ook wel
waardering opbrengen voor Wagner, Richard Strauss en Schönberg.
Poulenc was
ondertussen, in 1918, onder de wapens geroepen (tot januari 1921), maar hij
werd nooit naar het front gestuurd en was nooit verder dan 100 mijl van
Parijs gelegerd. Hij schreef in die tijd zeker acht composities. Zijn
eerste compositie die in het openbaar werd uitgevoerd was Rapsodie Nègre (voor bariton en instrumenten), opgedragen aan
Satie, welk stuk veel stof deed opwaaien.
Poulencs vriendschap
met Satie duurde zeven jaar, totdat deze erachter kwam dat Auric en Poulenc vriendschap
hadden gesloten met zijn aartsvijand, de muziekcriticus Louis Laloy. Satie werd nog bozer toen Poulenc
zich aansloot bij een groepje surrealisten waaronder Breton, Aragon en
Ernst. In een uitgave ter ere van Picasso dankten dezen vooral hém voor
zijn leiderschap en Satie werd geheel niet genoemd. Satie werd in 1924 ziek
door zijn chronisch alcoholmisbruik, maar tot op zijn sterfbed in 1925,
wilde hij Poulenc niet meer zien.
Van 1921-1925
kreeg Poulenc, die niet tot het conservatorium
was toegelaten, enkele jaren compositieles van Charles Koechlin, een leerling
van Gabriel Fauré, die zich nogal fanatiek bezig hield met
‘contrapunt’, een onderwerp dat Poulenc niet erg
trok, maar hem wel hielp bij het schrijven van koormuziek.
Omdat hij rust
nodig had om te kunnen werken, schreef hij veel van zijn composities vanaf
1923 in een huis in Nazelles
dat hij huurde van de weduwe
(‘tante’) Virginie Liénard, een huisvriendin van de familie, en vanaf
1928 op het door hem gekochte landgoed Le
Grand Coteau, gelegen in het dorpje Noizay.
Inspiratie in zijn werk door zijn landgoed en de streek Touraine
is te zien in de zettingen van de gedichten van Pierre de Ronsard (1524- 1585).
Door zijn vriendschap met Raymonde Linossier kwam hij intussen
in aanraking met het werk
van Paul Valéry, André Gide, Paul Claudel, Guillaume Apollinaire, Louis Aragon, André Breton en Paul Éluard (pseudoniem
van Eugène Émile Paul Grindel). Raymonde werd na een
studie rechten en oriëntalistiek, eerst advocaat, maar in 1923 directeur
van Musée Guimet. Zij
kritiseerde, net als Auric, Poulencs
werk.
Poulenc, die al een
tijd worstelde met zijn homoseksuele gevoelens, deed haar in 1927, via haar
zus, een aanzoek (4). Hij wilde
vooral naar de buitenwereld toe zijn ‘probleem’ oplossen, maar Raymonde wees hem af, ook omdat zij niet erg positief
stond tegenover homoseksualiteit. Door haar afwijzing raakte hij in een
–bijna drie jaar durende- crisis.
De klaveciniste Wanda Landowska
die Poulenc via Ricardo Viñes in 1923, in de Parijse
salon van de lesbische muziekmecenas prinses
Edmond de Polignac (5) had ontmoet,
moedigde hem aan, na de afwijzing door Raymonde,
zijn seksuele voorkeur niet langer te ontkennen en zijn relatie met de
kunstschilder Richard Chanlaire door te zetten. Zij nodigde hen ook
altijd beiden uit in haar huis als ze met Poulenc
aan het werk ging. Poulenc trad in Noizay vaak op in een travestieact,
verkleed als Wanda Landowska. Wanda emigreerde
uiteindelijk in 1941 via Spanje naar de VS om te ontsnappen aan de
Duitsers.
In 1930
overleed Raymonde plotseling. Poulenc
heeft vóór en na haar dood een aantal composities aan haar opgedragen
(Epitaphe-1930; Ce doux petit visage-1939; Voyage- 1948, enz.).
Begin jaren
dertig maakte Poulenc kennis met de
(ambulance)chauffeur Raymond Destouches, Raymond werd zijn privéchauffeur, maar
ook zijn minnaar. Later werd het meer een ouder- kindrelatie,
met Poulenc in de vaderrol. Destouches
trouwde uiteindelijk twee keer, de tweede keer met ‘Céline’. Poulenc droeg verschillende stukken aan Destouches en zijn zoon Jean op.
In 1926 had Poulenc de bariton Pierre Bernac leren
kennen, voor wie hij meer dan 100 liederen zou schrijven en met wie hij als
pianist in de jaren 1935-1959 talloze recitals zou geven over de hele
wereld. Aanvankelijk had Poulenc Bernac ‘afgeschreven’, omdat hij de teksten van de Chansons Gaillardes
niet kon waarderen en ook niet hield van hun zettingen. Maar tussen 1935 en
1938 brachten ze hun zomervakanties weer samen door, terwijl ze werkten aan
hun repertoire en hun concerten voorbereidden.
Na het
bijwonen van een uitvoering van een aantal motetten van Monteverdi
door Nadia Boulanger vatte Poulenc in maart 1936 het plan op oude koormuziek te
gaan bestuderen, en begon met de zestiende- eeuwse
Franse meesters, zoals Le Jeune en Janequin. Daarnaast
brachten zijn contacten met de dichter Paul
Éluard (zie verder) in 1935 een verdieping
teweeg in de sfeer van zijn liederen.
De echte
omslag in zijn leven kwam echter in augustus 1936 toen hij, op zijn
vakantie met Bernac en de koordirigente Yvonne Gouverné, het bericht ontving van het verkeersongeluk
van de componist Pierre- Octave Ferroud in Hongarije. Als reactie hierop bezocht hij
met Bernac de Notre
Dame van Rocamadour en door deze ervaring omtrent ‘de broze zekerheid van
het bestaan’, hernieuwde zijn belangstelling voor spiritualiteit – hij werd
(weer) een praktiserend katholiek- en schreef hij zijn eerste religieuze
werk (Litanies à la Vierge
Noire). Uiteindelijk zou hij negentien koorwerken schrijven, waarvan twaalf
religieus van aard.
De tournees
met Bernac brachten ook geld op, dat Poulenc hard nodig had omdat hij bij de beurskrach in
1929 veel geld had verloren. Zijn vermogen holde nog verder uit door de
crisisjaren. Daarnaast betaalden opdrachtgevers zoals prinses Edmond de Polignac
nog maar de helft vergeleken met eerder. Uit geldnood accepteerde Poulenc zelfs een opdracht om muziek te schrijven voor
een reclamefilm voor het wijnmerk Nicolas, waar hij later spijt van had.
Omdat hij geen formele muziekopleiding had gevolgd kwam hij, in
tegenstelling tot Milhaud en Tailleferre,
niet in aanmerking voor compositieopdrachten van de overheid.
In 1937 begon Poulenc, omdat hij behalve voor Bernac
ook muziek voor vrouwenstemmen wilde componeren, met het op muziek zetten
van poëzie van een vrouw, in casu Louise de Vilmorin, die hij sinds 1934 kende.
Volgens Benjamin
Ivry - in zijn biografie over Poulenc
uit 1996-, zouden diens Chansons villageoises en het ballet Les Animeaux modèles
gebaseerd op de fabels van La Fontaine, allebei uit 1942, laten zien dat Poulenc bij het begin van WO II een tijdje sympathie
had voor de Vichy- regering, vanwege de verheerlijking van de deugden van
het platteland (door Poulenc én Vichy). Deze
bewering is volgens Fokke onjuist.
Carl Schmidt
zegt verder terecht in zijn biografie: ‘Als men zijn beroep tussen 1940 en
1944 wilde uitoefenen in Parijs, dan moest men voor elke activiteit een
licentie hebben en die kreeg men alleen met toestemming van de Duitsers.
Dat Poulenc betrokken was bij het theater,
waarvoor licenties nodig waren, wil nog niet zeggen dat hij een
collaborateur was’.
Gezien zijn Deux Poèmes d`Aragon (1942) en de koorwerken Figure Humaine (1943) en Un Soir de neige (1944) had hij juist een sterke anti-Duitse en
pro- vrijheid (Liberté) houding.
In 1944
componeerde Poulenc zijn eerste opera, Les Mamelles
de Tirésias, naar het gelijknamige
surrealistische drama van Apollinaire. De opera werd eerst opgevoerd in
1947.
Poulenc had een korte
affaire met een vrouw, bekend als ‘Frédérique’ (‘Freddy’) met wie hij in
1946 een dochter, Marie- Ange, kreeg. Poulenc kende Freddy al sinds de jaren twintig en droeg
Une ruine
coquille vide (Tel jour telle nuit, nr.2) aan
haar op en Dans l`herbe
(Fiançailles pour rire,
nr.2). Poulenc heeft tijdens zijn leven altijd
zorg voor Marie- Ange gedragen en hij schonk haar
in zijn testament bepaalde muziekrechten.
Na de oorlog
ontving Poulenc wel weer aantrekkelijke
opdrachten, vooral uit het buitenland van de BBC en de VS. In januari 1945
-Frankrijk was
reeds bevrijd- maakte Poulenc een reis naar Londen, waar hij voor de eerste
keer Benjamin Britten ontmoette,
die al jaren lang zijn muziek uitvoerde. Poulenc
ging in 1956 ook naar het Aldeburgh Festival en
Britten zou in 1958 een begeleiding voor twee piano`s maken voor Poulencs Les Mamelles de Tirésias. Peter Pears speelde daarin, gekleed in een jurk, ‘de
Echtgenoot’.
De VS bezocht Poulenc tussen 1948 en 1952 diverse keren met Bernac en hij maakte daar onder andere kennis met
Leonard Bernstein. In Parijs ontmoette hij het Amerikaanse homo piano- duo
Arthur Gold en Robert Fizdale, voor wie hij
verschillende werken componeerde. Het duo werd zeer favoriet in de Parijse
salons, zoals die van Marie- Blanche de Polignac (6).
De Scala in
Milaan vroeg hem de Dialogues des Carmélites
(1953 -1955) te componeren, een stuk dat zich afspeelde tijdens de Franse
revolutie en waarin hij zich sterk identificeerde met de hoofdpersoon
Blanche en haar angst voor de dood en het leven. Poulenc
had daar veel last van, mede omdat hij in deze tijd een relatie was
begonnen met de nogal opdringerige Lucien
Roubert, een handelsreiziger uit Marseille
die hij in de trein had ontmoet. Daarbij dacht Poulenc
ook steeds dat hij een ernstige ziekte, zoals leverkanker, onder de leden
had. Zijn geestelijke crisis werd nog erger toen Lucien in 1955 stierf aan
de pleuritis. Bernac moest hem toen flink tot de
orde roepen. Na het voltooien van de Dialogues
stonden Poulencs religieuze gevoelens voortaan op
een lager pitje.
In 1957
ontmoette hij zijn laatste geliefde, de jonge soldaat Louis Gautier. Deze liet in 1958- 1959 een huis bouwen in Bagnols- en Forêt. Poulenc maakte een aantal keren een reis met hem en
kwam hierdoor weer enigszins ‘tot leven’.
Na haar
optreden in 1947 in Poulencs eerste opera
Thérèse- Tirésias, werd de sopraan Denise
Duval zijn favoriet en toen Bernac in 1959 stopte met optreden maakte Poulenc verschillende tournees met haar, waaronder naar
de VS.
Eind januari
1963 gaf hij met Denise nog een
concert in Maastricht, maar na terugkomst in Parijs overleed hij vlak
daarna aan een hartaanval. Hij werd begraven op Père-
Lachaise.
Vermoedelijk
heeft Poulenc zijn dood voelen aankomen, want in
november 1962 heeft hij zijn appartement in Parijs nog geheel laten
schilderen en opnieuw laten inrichten. Er werd na zijn dood geen enkel
onvoltooid werk van hem gevonden.
II. Poulenc en de Franse liedkunst:
De Franse
liedkunst gaat terug tot de Provençaalse liederen uit de elfde eeuw en de
periode van de troubadours en trouvères van de twaalfde en dertiende eeuw.
Rond 1830 was er een renaissance van de liedkunst met Berlioz, Gounod en vervolgens Franck, Chabrier,
Chausson, Duparc,
Fauré, Debussy en Ravel. Poulenc
was erfgenaam van deze traditie. Net als bij Schubert horen de meeste van
zijn liederen bij een cyclus. Hoewel Poulenc soms
–bewust- het woord ‘chanson’(=lied in populaire stijl) gebruikte in de
titel van een lied, worden zijn composities toch ‘mélodie’(dwz. een klassiek lied) genoemd omdat ze in dat genre
vallen.
Poulenc gebruikte
bijna altijd de teksten van tijdgenoten en dan met name van Guillaume Apollinaire (eig. Wilhelm Apollinaris de Kostrowitsky),
de uitvinder van het woord ‘surrealisme’ (35 liederen), Max Jacob, die een tijdlang samenwoonde met Picasso
in het ‘Bateau- Lavoir’
en het kubisme omarmde en -van 1935 tot 1948- vooral van Paul Éluard:
34 liederen en drie koorwerken. Éluard vocht net
als Apollinaire in WO I, maar hij werd door de ervaren verschrikkingen
pacifist. Hij werd ook –tijdelijk- lid van de Dada- beweging, maar omarmde
na 1924 het surrealisme met zijn totale vrijheid van handelen en denken.
Hij beschreef de liefde in al haar facetten. In WO II was hij zeer actief
bij het ondergronds verzet en schreef ook verzetspoëzie. Niet altijd is de
betekenis van zijn gedichten helemaal te begrijpen.
Behalve voor
piano had Poulenc grote voorliefde voor
blaasinstrumenten, net als Stravinsky. Hij schreef daarvoor ook een aantal
werken. Voor een overzicht van al zijn werk wordt verwezen naar de websites
in de bronnenlijst.
III. Overzicht
van Poulencs vocale muziek: solo muziek voor
mezzo/ alt- stem (moyenne*) en duet- muziek (SM/ SA) :
a.Duetten(terzetten):
Poulenc schreef drie
–gepubliceerde- opera`s, namelijk de
reeds vermelde Les mamelles de Tirésias, de Dialogues des Carmélites en La Voix humaine (in 1958 op tekst van Jean Cocteau).
Op zoek naar eventuele duetten (SM of
SA) hierin, moet ik concluderen dat Poulenc zelden echte duetten schreef. De Dialogues
staat inderdaad vol dialogen zoals de titel aangeeft, maar bevat slechts
enige regels in echte duetvorm, d.w.z. dat men ook tegelijk zingt.
Wel bevat het
een (enigszins begeleid SMA) terzet,
namelijk Ave Verum
Corpus. Het Ave Maria uit de Dialogues is verder te koop als FP 165 (zie 8), en dan gezet
voor SSA a cappella.
De tekst Ave Verum
Corpus had Poulenc in 1952 ook al – op geheel
andere wijze (7)-
gezet voor SMA- koor, a cappella, namelijk voor
het vrouwenkoor van Pittsburgh voor de uitvoering op een muziekfestival (FP
154).
Verder schreef
hij in 1936 het reeds vermelde werk Litanies à la Vierge Noire (FP 82), voor SSA en orgel, alsmede Petites Voix (voix d’enfants), vijf stukken
voor SMA a cappella (FP 83).
Pierre Bernac geeft in zijn Interpretation
of French Song aan dat de meeste liederen geschikt zijn voor mannen en
vrouwenstemmen.
Bij enige
liederen zegt hij expliciet: M(ale) of F(emale). Deze notering is opgenomen in onderstaand
overzicht met M. of F.(B)
b.Solo muziek:
|

|
Complete
Songs v1-v4
Editions Durand, Editions Salabert, Editions
Max Eschig Voice And Piano
(Original Keys)
(zie noot 12a)
|

|
Melodies et Chansons (Voice and Piano). For Piano,
Vocal. Editions Salabert (12b.)
|

|
The Best of Poulenc - 40 Selected Songs (Medium
Voice and Piano (Original Keys), Editions
Durand (12c.)
|
F.= Fokke
B.=Bernac
Gr.J..= Graham Johnson
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Jaar
|
FP (8)
|
Titel lied/cyclus:
|
Op tekst van:
|
Opgedragen aan:
|
Titels afzonderlijke liederen:
|
Stemsoort:
|
Uitgave bij:
|
Beoordelingen **:
|
|
F.
|
B.
|
Gr . J.
|
Ik
|
|
1918
(1932)
|
011
|
Toréador (Chanson
hispano-italienne)
|
Jean Cocteau
|
Pierre Bertin
|
|
(moyenne
=m)
|
(Deiss)
Salabert
|
|
|
|
|
|
1919
|
015a
|
Le Bestiaire ou
Cortège d`Orphée
|
Apollinaire
|
Louis Durey
|
Le Dromedaire, La Chèvre du
Thibet, La Sauterelle, Le Dauphin, L`Écrevisse, La Carpe
|
baritone
|
(La Sirène)
Max Eschig
(ISMLP-Scorser***)
|
E
|
E.
|
E
|
E
|
|
1919
(1939)
|
016a
|
Cocardes
|
Jean Cocteau
|
Georges Auric
|
I. Miel de Narbonne – II. Bonne d’enfant – III.
Enfant de troupe
|
sopraan
|
Max Eschig
(ISMLP-
Scorser)
|
|
|
M/E
|
|
|
1924-
1925
|
038a
|
Cinq poèmes de Pierre Ronsard
|
Pierre Ronsard
|
1.Madame
Suzanne Peignot 2. Marya
Freund 3.Vera Janacopoulos
4.Madame Croiza 5.Jeanne Bathori
|
I. Attributs - II. Le Tombeau -
III. Ballet - IV. Je n’ai plus que les os - V. À
son page
|
m.
|
Heugel
(IMSLP-
Scorser )
|
|
|
|
|
|
1926
|
042
|
Huit Chansons gaillardes
M.(B)
|
Anonieme 17de
eeuwse tekst
|
Madame Fernard Allard
|
I. La Maîtresse volage II. Chanson à boire III.
Madrigal IV.Invocations aux Parques V. Couplets
bachiques VI. L’Offrande VII. La
Belle jeunesse VIII. Sérénade
|
bariton
|
Heugel
(ISMLP
-Scorser)
|
|
|
|
|
|
1927-
1928
|
046
|
Quatre airs chantés
|
Jean Moréas
|
|
I. Air romantique (m) II. Air champêtre (s) III.
Air grave (s) IV. Air vif (m)
|
m
en s.
|
Rouart /
Salabert
(ISMLP-Scorser)
|
|
II en IV!
|
M/E
|
|
|
1930
|
055
|
Epitaphe
|
Malherbe
|
Raymonde Linossier
|
|
baritone
mezzo
|
(Rouart )
Salabert
|
|
|
|
E
|
|
1931
|
057
|
Trois Poèmes de Louise Lalanne
F.(B)
|
1.en 3. Marie
Laurencin (9)
2.Apollinaire
|
Comtesse Jean de Polignac
|
I. Le Présent – II. Chanson – III. Hier
|
s.
|
(Rouart)
Salabert
|
|
|
M.
Hier
=E
|
|
|
1931
|
058
|
Quatre Poèmes de Guillaume Apollinaire
M.(B)
|
Apolllinaire
|
1.Marie Laurencia
2.Madame Cole Porter 3. Madame Picasso 4.Madame
Jean-Arthur Fontaine
|
I. L’Anguille – II. Carte
postale – III. Avant le cinéma – IV. 1904
|
baritone mezzo
|
(Rouart)
Salabert
|
|
|
E
|
|
|
1931
|
059
|
Cinq Poèmes de Max Jacob
F.(B)
|
Max Jacob
|
1.Marie Blanche, 2.Madeine Vhita
3.Suzanne Peignot
4.Suzanne Balguerie
5.Eve Curie
|
I. Chanson bretonne - II. Le Cimetière - III. La
Petite servante - IV. Berceuse - V. Souric et Mouric
|
m.
|
(Rouart)
Salabert
|
|
|
M
|
II
=M
|
|
1933
|
066
|
Pierrot ; extrait des Capricesno.6
|
Théodore de
Banville
|
Vicomtesse de
Noailles
|
|
m./low
|
Salabert
|
|
|
|
|
|
1934
|
069
|
Huit Chansons polonaises
|
Anonymous text in French and Polish
|
1.Ida Godebska 2.Misia
Sert 3.Comtesse Elisabeth Potocka 4.Marya
Freund 5.Madame Kochanska 6.Madame Arthur
Rubinstein 7.Wanda Landowska 8.Maria Modrakowska
|
I. La Couronne II. Le Départ III. Les Gars polonais
IV. Le dernier Mazour V. L’Adieu VI. Le Drapeau Blanc VII. La Vistule VIII.
Le lac
|
m.
|
(Rouart)
Salabert
|
|
|
|
|
|
1934-
1935
|
075
|
Quatre chansons
pour enfants
|
Jaboune (=Jean Nohain)
|
|
I. Nous voulons une petite sœur II. La Tragique
histoire du petit René III. Le Petit garçon trop bien portant IV.
Monsieur sans-souci
|
s?
|
(ISMLP
scorser)
|
|
|
M
I, III
|
|
|
1935
|
077
|
Cinq Poèmes de Paul Éluard
|
Paul Éluard
|
1.Madame la Vicomtesse
de Noailles 2.Valentine Hugo 3.Suzanne Nivard 4.Pierre Bernac 5.Nora
Georges Auric
|
I. Peut-il se reposer ?
II. Il la prend dans ses bras III. Plume d’eau claire IV. Rôdeuse au
front de verre V. Amoureuse
|
m.
|
Durand
(ISMLP-
Wiki)
|
|
|
M
|
|
|
1935
|
079a
|
A sa guitare
|
Pierre Ronsard
|
Yvonne Printemp
|
|
m.
|
Ricordi,
Durand
|
|
|
M
|
|
|
1936-
1937
|
086
|
Tel jour telle nuit
Echte cyclus!
(Bernac)
|
Paul Éluard
|
1.Pablo Picasso
2.Freddy
3.Nush
4.Valentine Hugo
5.Marie Blanche
6.Marie Blanche
7.Denise Bourdet
8.Pierre Bernac
9.Yvonne Gouverné
|
I. Bonne journée - II. Une ruine
coquille vide III. Le Front comme un drapeau perdu -
IV. Une roulotte couverte en tuiles - V. À toutes
brides - VI. Une herbe pauvre - VII. Je n’ai envie
que de t`aimer VIII. Figure de force brûlante et farouche - IX. Nous avons fait la nuit
|
m.
|
Durand
(ISMLP-Scorser)
|
E
|
E.
|
E
(IX is
voor
Nusch,
Éluards
vrouw )
|
|
|
1937
|
091
|
Trois poèmes de
Louise de Vilmorin
F.(B)
|
Louise de Vilmorin(10)
|
|
I. Le Garçon de Liège
II. Au-delà
III. Aux officiers de la garde blanche
|
s.
|
(ISMLP-
Scorser)
|
|
|
E.
|
|
|
1938
|
092
|
Le portrait
|
Colette
|
Hélène Jourdan-Morhange
|
|
m.
|
(R.Deiss)
Salabert
|
|
|
M
|
|
|
1938
|
094
|
Deux Poèmes de Guillaume Apollinaire
|
Apollinaire
|
1.Reine Bénard
2.Georges Auric
|
I. Dans le jardin d’Anna
II. Allons plus vite
|
m.
|
(Rouart)
Salabert
|
|
|
E.
|
|
|
1938
|
095
|
Priez pour paix
|
Charles
d' Orléans
|
|
|
low =orig.
or m.
|
(Rouart)
Salabert
|
|
E.
|
E.
|
E
|
|
1938
|
096
|
La Grenouillère
|
Apollinaire
|
Marie- Blanche
|
|
m.
|
(R.Deiss)
Salabert
|
|
E.
|
E.
|
E
|
|
1938-
1939
|
098
|
Miroirs brûlants (deux mélodies)
|
Paul Éluard
|
1.Pierre Bernac
2.Marie- Laure
|
I. Tu vois le feu du soir II. Je nommerai ton front
|
m./s.
|
(R.Deiss)
Salabert
|
|
I=E
|
E.
|
|
|
1939
|
099
|
Ce doux petit visage(11). F.(GJ)
|
Paul
Éluard
|
Raymonde Linossier
|
|
m.
|
(Rouart)
Salabert
|
|
|
E.
|
E
|
|
1939
|
101
|
Fiançailles pour rire (six mélodies)
F.(B)
|
Louise de Vilmorin
|
1.Marie-Blanche 2. Freddy 3.Suzanne Peignot 4.
Ninon Vallin 5. Denise Bourdet 6.Solange d`Ayen
|
I. La Dame d’André
II. Dans l’herbe III. Il vole IV. Mon cadavre est doux comme un gant V. Violon VI. Fleurs
|
m./s.
|
(Rouart)
Salabert
|
|
|
E.
m.n.
V, VI
|
VI=
E
|
|
1939
|
102
|
Bleuet
|
Apollinaire
|
André Bonnélie
|
|
tenor
|
Durand
|
|
|
E.oorlogs
lied
|
|
|
1940
|
106-1a
|
Les chemins d`amour
|
Jean Anouilh
|
Yvonne Printemps
|
Valse chantée tirée de la pièce “Léocadia” FP
106
|
s.
|
Max Eschig
|
|
|
M
|
|
|
1940
|
107
|
Banalités
|
Apollinaire
|
1.Claude Rostand 2. Marthe Bosredon 3.Madame Henri Fredericq 4.Paul Éluard
5.Suzette
|
I. Chanson d’Orkenise II.
Hôtel III. Fagnes de Wallonie IV.
Voyage à Paris V. Sanglots
|
m.
|
Max Eschig
(ISMLP-
Petrucci)
|
|
E.
|
E.
IV. goed
afscheids-lied
|
E.
II
En
IV
|
|
1942
|
117a
|
Six chansons
Villageoises
M.(B)
|
Maurice Fombeure
|
1.Louis Beydts 2. Jean de Polignac 3. Roger Bourdin
4.André Schaeffner 5.André Lecoeur 6. André Dubois
|
I. Chanson du Clair Tamis II. Les Gars qui vont à
la fête III. C’est le joli printemps IV. Le Mendiant V. Chanson de la
fille frivole VI. Le Rétour du sergent
|
m.
|
Max Eschig
(ISMLP)
|
|
|
M/E
VI. oorlogs-
lied
|
III=
E
VI=
M
|
|
1943
|
121
|
Métamorphoses
|
Louise de Vilmorin
|
1.Marie-Blanche 2. Marthe Bosredon 3. Jeanne
Ritcher
|
I. Reine des mouettes
II. C’est ainsi que tu es III. Paganini
|
m.
|
(Rouart)
Salabert
|
|
|
E. m.n.II
|
|
|
1943
|
122
|
Deux Poèmes de Louis Aragon
|
Louis Aragon
|
1.Papoum 2.Jean de Polignac
|
I. C – II. Fêtes galantes
|
m.
|
(Rouart)
Salabert
|
|
I=E.
|
E.oorlogs
liederen
|
|
|
1941-
1945
|
127-1
|
Montparnasse
|
Apollinaire
|
|
|
m./s.
|
Max Eschig
|
|
E.
|
E.
|
|
|
1945
|
127-2
|
Hyde Park
|
Apollinaire
|
|
|
m./s.
|
Max Eschig
|
|
|
|
|
|
1946
|
131
|
Deux melodies sur des
poèmes de Guill. Apollinaire
|
Apollinaire
|
1.Raymond Radiguet
2.Luigi Dallapiccola
|
I. Le Pont – II. Un Poème
|
baritone
|
Max Eschig
|
|
I=E
|
|
|
|
1946
|
132
|
Paul et
Virginie
|
Raymond Radiguet
|
Lucien Daudet
|
|
|
Max Eschig
|
|
|
|
|
|
1947
|
134
|
Le disparu
|
Robert Desnos
|
Henri Sauguet
|
|
male v. (m.)
|
(Rouart)
Salabert
|
|
|
E.
|
E
|
|
1947
|
135
|
Main dominée par le coeur
|
Paul Éluard
|
Marie- Blanche
|
|
s.
|
(Rouart)
Salabert
|
|
|
E.
|
|
|
1947
|
136
|
Trois chansons de Federico Garcìa Lorca
|
Federico Garcia Lorca
|
1.Geneviève Touraine
2.Madame Auguste Lambiotte 3. Gérard Souzay
|
I. L’Enfant muet II. Adeline à la promenade
III. Chanson à l’oranger
sec
|
m.
|
Heugel
(ISMLP- Scorser)
|
|
|
|
|
|
1947
|
137
|
‘…mais mourir’
|
Paul Éluard
|
|
|
m.
|
Heugel
|
|
|
|
|
|
1948
|
140
|
Caligrammes
|
Apollinaire
|
1.Simone Tilliard 2.Pierre Lelong 3.Jacqueline
Apollinaire 4. Emmanuel Fay 5. Ma soeur Jeanne
6.Jacques Soulé 7. Raymonde
Linossier
|
I. L’Espionne II. Mutation III. Vers le Sud IV. Il
pleut V. La Grâce exilée VI. Aussi
bien que les cigales
VII. Voyage
|
m.
(baritone)
|
Heugel
(ISMLP-Scorser)
|
|
|
|
|
|
1950
|
147
|
La fraîcheur et le feu
|
Paul Éluard
|
Igor Strawinsky
|
I. Rayon des yeux II. Le Matin les branches
attisent III. Tout disparut IV. Dans les ténèbres du jardin V. Unis la
fraîcheur et le feu VI. Homme au sourire tendre VII. La grande rivière
qui va
|
m.
|
Durand
Max Eschig
(ISMLP-Scorser)
|
|
E.
|
|
|
|
1956
|
161
|
Le travail du peintre
|
Paul Éluard
|
Madame Alice Esty
|
I. Pablo Picasso II. Marc Chagall III. Georges Braque IV. Juan Gris V. Paul Klee VI. Joan
Miró VII. Jacques Villon
|
m.
|
Max Eschig
(ISMLP-Scorser)
|
|
|
M./E
m.n.VII
|
|
|
1956
|
162
|
Deux mélodies 1956
|
1.Apollinaire
2. Laurence
de Beylié
|
|
I. La Souris
II. Nuage
|
|
Max Eschig
|
|
|
|
|
|
1956
|
163
|
Dernier poème
|
Robert Desnos
|
|
|
|
Durand
Max Eschig
|
|
|
|
|
|
1957
|
167
|
Vive Nadia
|
|
|
Chanson en hommage de Nadia Boulanger
|
|
|
|
|
|
|
|
1962?
|
174
|
Fancy
|
Shakespeare
|
Miles and Flora
|
|
m.
|
Un. Music
Publishers
IMSLP-wiki
|
|
|
M
|
|
|
1960
|
178
|
La courte paille
F.(B)
|
Maurice Carême
|
Denise Duval et Richard Schilling
(=zoon van Duval)
|
I. Le sommeil II. Quelle aventure ! III. La
reine de cœur IV. Ba, be, bi, bo, bu V. Les anges musiciens VI. Le carafonVII. Lune d’avril
|
m.
|
Max Eschig
|
|
|
M, m.n.
III,V, VI
|
|
|
1962
|
182
|
Nos souvenirs qui chantent
|
Robert Tatry
|
|
|
m.
|
Heugel
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
*’moyenne’ kan
zowel door de manlijke als vrouwelijke stem gezongen worden. Soms staat
er expliciet voor ‘bariton’ genoteerd. Een aantal liederen kan qua hoogte
ook wel door een alt gezongen worden, maar de ligging is meestal
alt/mezzo. Poulenc had nu eenmaal (naast Bernac) veelal sopranen in zijn omgeving.
**Beoordelingen:
M=mooi. E= Erg mooi ; Fokke
vermeldt maar weinig muziekstukken apart in zijn boek.; Bernac
moet in zijn boek keuzes maken vanwege de beperkte omvang en noemt
derhalve slechts enkele liederen die zeker bestudeerd moeten worden; Graham Johnson is van mening dat Poulenc geen slechte werken schreef, maar dat sommige
wel interessanter zijn dan andere. Daar waar geen vermelding bij staat,
wordt het werk óf als minder goed bezien, óf het wordt geheel niet
(apart) genoemd in zijn Companion; de
laatste kolom zal ikzelf invullen met mijn eigen bevindingen
***ISMLP – Scorser / wiki/ Petrucci
betekent dat het stuk in zijn geheel gratis te downloaden is via Internet
|
|