2B. VROUWELIJKE COMPONISTEN

Classicisme, Romantiek en ‘Later’

n.b. aan dit onderwerp wordt nog zeer hard gewerkt !!

 

 

Onderstaand artikel is –grotendeels- een overdruk van de (papieren) syllabus die ik eerder heb geschreven voor de Workshop ‘Zingen in de Zomer’ o.l.v. Bea Goethart te Harcigny in 2018.

 

INHOUDSOPGAVE

A.Classicisme (1750-1820)

B.Romantiek (1815-1910)

    -Vrouwelijke componisten: 1. in Duitsland

                                                2. in Frankrijk

C.Muziek van de Twintigste Eeuw

   1.Impressionisme

   2.Modernisme

   3.Avant-Gardisme

   4.Serialisme

    -Vrouwelijke componisten: 1. In Frankrijk

 

A.CLASSICISME (1750- 1820):

Het Classicisme speelde zich af in de westerse muziek in ongeveer dezelfde tijd als het classicisme in de beeldende kunst en de literatuur, maar het verschil is dat er geen sprake is van het teruggrijpen op vormen van de muziek in de Oudheid.

In de musicologie werden de wortels van het classicisme lange tijd gekarakteriseerd met termen als rococo, de galante stijl, de empfindsame stijl, en de Sturm und Drang-periode. Tegenwoordig is 'pre- klassiek' de gangbare overkoepelende term, omdat alle andere aanduidingen alleen maar een bepaald aspect van ‘de klassieke stijl in wording’ tot uitdrukking brengen.

Aan de periode van het classicisme ontleent de klassieke muziek haar naam. De periode duurt kort en omvat hoofdzakelijk de periode waarin Mozart en Haydn (de Eerste Weense School) en hun tijdgenoten hun werken componeerden. Ook de vroege werken van Beethoven worden tot deze periode gerekend.

In het classicisme worden contrapuntische technieken steeds minder gebruikt en komt de homofone zetting op, waarin een melodie voornamelijk door akkoorden wordt begeleid.

Een van de belangrijkste vernieuwingen was het gebruik van tekens om de dynamiek te noteren (zoals p voor zacht en f voor luid).

 

B.ROMANTIEK (1815- 1910):

In de late achttiende eeuw was er grote politieke en sociale onrust zoals de Amerikaanse Burgeroorlog, de Franse Revolutie en het begin van de Industriële Revolutie, waardoor allerlei maatschappelijke veranderingen zichtbaar werden. In alle kunsten ontstonden daardoor natuurlijk ook veranderingen. De nieuwe stijlperiode werd Romantiekgenoemd en besloeg het grootste deel van de negentiende en het begin van de twintigste eeuw. Het romantische denken kwam het eerst naar voren bij schrijvers als Goethe, Schiller, Heine, Byron, Scott en Wordsworth en bij een schilder als Goya.

Vrijheidsdrang was een belangrijke factor, maar de vernieuwingen gingen niet in één bepaalde richting.

In de romantische literatuur werden middeleeuwse verhalen met jonkvrouwen en dappere ridders en veel mystiek beschreven, in de schilderkunst ontstonden fantastische, choquerende en exotische scènes,  aan historische bronnen ontleend. Daarnaast werden op zeer realistische wijze actuele gebeurtenissen als opstanden (1830, 1848) en massale veldslagen afgebeeld. De satire werd gebezigd en de liefde voor de natuur veelvuldig geuit. Allerlei nationalistische bewegingen vonden na 1850 hun weerslag in de kunst en elke componist schiep zijn eigen idioom, een herkenbare stijl. Daarom is het moeilijk om gemeenschappelijke kenmerken te geven, maar  ‘vrijheid, beweging, passie en streven naar het ‘onbereikbare’, vaagheid , suggestie en symboliek’ waren dat in ieder geval. Het ritme in de muziek werd gevarieerder, nieuwe maatsoorten werden mode en om de spanning te verhogen werden syncopen toegepast. De tempi werden extreem snel of uiterst langzaam. Chromatiek werd na 1850 veelvuldig gebruikt, verschillen tussen luid (ff) en zacht (pp) werden groot en zeer plotseling voorgeschreven.

Nieuwe vormen en genres als ‘Lieder’ en liederencycli ontstonden. Omdat er veel technische verbeteringen waren aan de instrumenten en er bovendien nieuwe instrumenten kwamen (celesta, pauken, harmonium, saxofoon, enz.) ontstonden er nieuwe klankkleuren in het orkest. Ook kregen de musici een grondige professionele opleiding met de komst van conservatoria.

De koormuziek uit de Romantiek  –missen, requiems en Te Deums, meestal monumentale werken- werd niet voor de kerk, maar voor de concertzaal gecomponeerd en uitgevoerd met een compleet orkest en ook vaak met een extra orgel.

      Haydn

    Mozart

    Beethoven

Mendelssohn

    Brahms

    Liszt

   Berlioz

     Wagner

   Cornelius

 Schubert

    Schumann

           1ste Weense School

 

 Traditionalisten/ oriëntatie

 op de ‘Klassieken’

                                 Neudeutsche Schule

 

 

                          CLASSICISME

                                                                     ROMANTIEK

 

In de 19de eeuw stonden in Duitsland in ‘de Musikstreit’ twee groepen componisten tegenover elkaar: De ‘traditionalisten’:  Felix Mendelssohn-Bartholdy en Johannes Brahms, die zich oriënteerden op de ‘Klassieke componisten’ zoals Haydn, Mozart, Beethoven, met hun ‘classicistische’ muziek  en de Neudeutsche Schule met vertegenwoordigers als Franz Liszt, Hector Berlioz, Richard Wagner en Peter Cornelius. Zij wilden de muziek ‘van de toekomst’ vorm geven. Deze muziek was in hun visie programmatisch, theatraal en sterk literair georiënteerd.

 

In deze tijd verslechterde de positie van vrouwen nog meer. Door de invoering van Napoleon`s Code civil in 1804 werden vrouwen in alle sociale klassen juridisch afhankelijk van hun vader en -bij trouwen- van hun echtgenoot. Ze hadden wel recht op onderwijs. De situatie veranderde na 1850 geleidelijk door de vrouwenemancipatie, betere onderwijsmogelijkheden en doordat vrouwen vaker een belangrijke maatschappelijke positie innamen. Sommigen profiteerden van de ‘salons’ om hun composities te laten horen. In Parijs werd een conservatorium gesticht waar vrouwen enkele vakken mochten volgen en vanaf 1850 ook compositielessen. De meeste docenten hadden er geen bezwaar tegen vrouwen compositieles te geven, hoewel Saint- Saëns een opmerking maakte als:‘Ze zouden zeker beroemd zijn, als hun fout niet was …..een vrouw te zijn’.

Vrouwen moesten vaak kiezen tussen een huiselijk of een artistiek leven, behalve als ze over veel geld beschikten. Om er voor te zorgen dat hun werken werden gespeeld moesten ze bekendheid zien te krijgen door op te treden in salons en concertzalen. Ze omringden zich met invloedrijke personen uit de muziekwereld en uitgeversbranche en door ‘leerling te zijn van….’. Om discriminatie te vermijden bleven ze ook wel anoniem, gebruikten ze een pseudoniem of vermeldden hun voornaam niet.

 

-Vrouwelijke componisten uit de Romantiek:

n.b. Aan dit onderdeel moet nog hard gewerkt worden!

1.In Duitsland:

Fanny Hensel (1805- 1847), geboren als Fanny Mendelssohn in een rijke Berlijnse familie, kreeg samen met haar broer Felix een uitstekende muzikale opvoeding. Zij traden op tijdens de zondagse concerten van hun ouders en brachten daar ook hun eigen composities. Haar broer werd ‘professional’ en Fanny trouwde in 1829 met de schilder Wilhelm Hensel, die haar aanmoedigde om te componeren en publiceren. Tijdens

hun reis door Italië in 1839 ontstond bij Fanny steeds meer de behoefte aan erkenning. Ze had al veel liederen voor zangstem en koor geschreven, waarvan sommige onder Felix` naam uitgegeven werden, maar pas in haar laatste levensjaar vond ze de moed systematisch haar composities te gaan publiceren.

Clara Wieck (1819- 1896)  was de dochter van een pianopedagoog en een zangeres. Haar ouders scheidden toen Clara vijf jaar was en zij werd toegewezen aan haar vader, die haar pianoles gaf. Toen ze veertien jaar oud was, componeerde ze haar pianoconcert in a mineur. Clara werd zeer beroemd en maakte vele concertreizen naar Parijs, Berlijn, Londen, Utrecht, Den Haag en Wenen. Tot haar bewonderaars behoorden Mendelssohn, Chopin en Goethe.

Clara werd verliefd op Robert Schumann, een van haar vaders leerlingen. Dat was zeer tegen de zin van papa, die alle omgang tussen de geliefden verbood, omdat hij dacht dat Schumann zijn dochter geen behoorlijk bestaan kon bieden. Eén dag voor haar eenentwintigste verjaardag trouwde ze toch met hem. Het was een zeer muzikaal huwelijk, maar de opvoeding van acht kinderen, gezondheidsproblemen en carrière waren een zware last. Toen Clara vijfendertig was, werd Robert in een inrichting opgenomen wegens depressies. Twee jaar later overleed hij. Clara had nadien veel steun van Johannes Brahms, met wie zij enige tijd daarvoor bevriend waren geraakt.

 

   Fanny Hensel

    Clara Wieck

Pauline Viardot

Clémence de

Grandval

  Marie Jaëll

Augusta Holmès

Cécile Chaminade

    Mel Bonis

Martha von

Sabinin

 

2.In Frankrijk:

In Frankrijk was de van oorsprong Spaanse Pauline Viardot- Garcia (1821- 1910) heel beroemd. Ze was mezzo- sopraan, pianiste, pedagoge en componiste. Ze studeerde zang bij haar ouders, piano bij Frans Liszt en compositie bij Anton Reicha. In 1863 nam ze afscheid van het podium en wijdde zich voortaan aan zangonderwijs en compositie.

Verder was nog bekend Clémence de Grandval (Marie Félicie Clémence de Reiset, burggravin van Grandval) (1828- 1907). Zij studeerde piano bij Von Flotow en compositie bij Saint-Saëns. Ze maakte vaak gebruik van pseudoniemen waaronder Clémence Valgrand, Caroline Blangy en haar meisjesnaam.

Marie Jaëll (1846- 1925) werd erg bewonderd door Liszt. Marie kreeg ook les van Saint-Saëns. Augusta Holmès (1847-1903) wijdde haar hele leven aan componeren. Ze bewonderde Wagner en kreeg compositieles van Franck. Ze schreef liederen en religieuze werken.

Cécile Chaminade (1857- 1944) schreef een groot aantal pianowerken en meer dan honderd liederen, waaronder diverse werken voor vrouwenkoor. 

Mel (Mélanie) Bonis (1858- 1937) schreef liederen en religieuze koorwerken, waaronder Cantique de Jean Racine (1934) ter herinnering aan haar zoon Eduard.

 

C.MUZIEK VAN DE TWINTIGSTE EEUW:

Omdat de twintigste eeuw zoveel stromingen kent, worden hieronder slechts een paar behandeld:

1.Het impressionisme dat in Frankrijk ontstond als reactie op de late romantiek. De stroming kwam tot bloei in de periode van circa 1870 tot 1910, en ging daarna min of meer over in expressionisme en serialisme. Bij impressionistische componisten is de sfeer meestal belangrijker dan de emotie.  Men liet zich graag inspireren door de literatuur (bijvoorbeeld gedichten van Appolinaire en Verlaine). Veel liederen uit deze periode zijn ook op teksten van tijdgenoten, waar in de romantiek nog vaak werd teruggegrepen op oudere dichters en teksten.

De invloed van oosterse muziek werd eveneens groter, vanwege de toenemende kennis over Arabische, Indiase, Chinese en Hindoestaanse muziek. De muziek werd intiemer zonder grote bezettingen met bombastische geluidsorkanen. In plaats van het tonale componeren kwam nu de pentatoniek en de octotoniek, de harmonie werd vrijer, en het 'zwevende' ritme (minder duidelijk waar de 'tel' zit) prominenter.

In het late impressionisme verschenen invloeden van de uit Amerika overgewaaide vroege jazz-cultuur. In de rest van Europa werd deze stroming nauwelijks overgenomen of geïmiteerd.

Belangrijke figuren uit deze periode waren de Satie, Debussy, Fauré (eerst laatromantisch, dan impressionistisch) , Ravel, Caplet, Duparc en Schmitt en de Nederlanders Diepenbrock en Escher.

 

2.Modernisme (1910-1945) met verschillende stijlen:

Het Futurisme van Luigi Russolo en  Arnold Schoenbergs expressionistische 12-toons atonaliteit, waarmee hij de 2e Weense School grondvestte, bestaande uit Schoenberg zelf en zijn leerlingen Alban Berg en Anton Webern.

 

Voortbouwend op het impressionisme van Claude Debussy, ontstond in Frankrijk de Groupe des Six, waarvan Francis Poulenc, Arthur Honegger en Darius Milhaud de belangrijkste vertegenwoordigers waren.

 

3.Onder Avant-Gardisme (1945- 1970) wordt verstaan: alle muziek die brak met de (klassiek/romantische) traditie. Melodie, harmonie en ritme ontbraken dan ook meestal. Het Avant-Gardisme kan worden gezien als een reactie van wantrouwen jegens de eigen, westerse cultuur, die in korte opeenvolging twee Wereldoorlogen voortbracht. In de hele avant-gardistische kunst werd na de Tweede Wereldoorlog een sterke behoefte gevoeld om van voren af aan opnieuw te beginnen en letterlijk alle waarden te herzien en te herdefiniëren.

 

4. Het Serialisme werd wereldberoemd door het werk van de Duitse componist Karlheinz Stockhausen en de Franse componist Pierre Boulez. Zij breidden het 12-toons idee van Schoenberg uit over alle 'muzikale parameters': toonhoogte, toonduur, toonsterkte, toonkleur. Zo ontstonden complexe schema's, die aan de composities ten grondslag lagen. Het Serialisme betekende echter de definitieve breuk met het 'grote publiek', dat deze muziek moeilijk kon volgen zonder kennis over de achterliggende systemen.

 

De toenemende theoretisering van de moderne twintigste-eeuwse westerse klassieke muziek leidde ertoe dat die zich steeds verder afzonderde van ‘het volk’ en slechts toegankelijk was voor een kleinere groep ingewijden. Waar rock-'n-roll en jazz muziekgenres waren zonder aanzien, hoofdzakelijk omdat het van oorsprong 'zwarte muziek' was, veranderde de culturele waardering voor popmuziek eind jaren zestig sterk. The Beatles maakten al eerste een koppeling tussen popmuziek en klassieke muziek. Niet langer werd popmuziek als lage kunst en klassieke muziek als hoge kunst beschouwd.

 

-Vrouwelijke componisten uit de Twintigste eeuw:

In de Twintigste eeuw werd muziek een belangrijk onderdeel van de opvoeding van meisjes in welgestelde milieus. Ze kregen ook steeds meer een baan in het muziekonderwijs.

1.In Frankrijk waren de onderwijsinstellingen ook toegankelijk geworden voor vrouwen. Werken van vrouwelijke componisten werden steeds meer geprogrammeerd.

Nadia Boulanger (1887- 1979) en haar zus Lili Boulanger (1893- 1918) waren in Frankrijk zeer beroemd. Lili was de eerste vrouw die in 1913 een premier Grand Prix de Rome won. Ze schreef veel werken voor koor en ook religieuze werken. Nadia werd internationaal bekend als dirigent.

Yvonne Desportes (1907-1993) was muziekpedagoge en componiste. Helaas zijn weinig van haar composities in druk verschenen.

Germaine Tailleferre (1892- 1983) was lid van de Groupe des Six. Verder verdienen nog vermelding: Claude Arrieu (1903- 1990), Elsa Barraine (1910-1999), en de nog levende Isabelle Aboulker (1938), Monic Cecconi-Botella (1936), Betsy Jolas (1926) en Edith Lejet (1941).

 

Aan deze pagina is het laatst gewerkt op 30 augustus 2018

 

 

Bronnen:

Gedrukte:

The New Grove, A dictionary of Music and Musicians, London, 1980

Wouter Steffelaar, Muzikale stijlgeschiedenis, Amsterdam, 1999

Leo Riemens, Groot Opera boek, Abcoude 1995

H.L. Wesseling, Scheffer, Renan, Psichari, Een Franse cultuur- en familiegeschiedenis 1815- 1914,

Uitg. Prometheus, 2017

Componistes van koormuziek: Centre de Documentation pour l`Art Choral, Bourgogne, 2015

Veerle Janssens, Vrouw aan de piano, Antwerpen, 2018

 

 

Terug naar de pagina ‘Muziek